Door Holland met pen en camera written by Lud. Georges Hamoen
L >>
Lud. Georges Hamoen >> Door Holland met pen en camera
Door Holland met pen en camera
Naar het Fransch van
_Lud. Georges Hamoen_. [1]
Elk land heeft een eigen karakter, dat is onbetwistbaar. Holland nu
is, zoowel om den aard van zijn grondgebied als om de kleeding zijner
boeren, tegenwoordig het schilderachtigste land van Europa.
Het is de moeite waard, zich op te maken om met eigen oogen te
aanschouwen die pijpjesrookers en kermisdansers, die langzame
schuiten en reusachtige bruggen, die zwaaiende molenarmen en kalme
overpeinzingen van rustige burgers over hun glas bier, die boerin
met breede heupen, de producten der eigen boerderij naar de stad
brengend, die spannen van trekhonden, die eeuwige kanalen, bevolkt
met eenden, die nette dorpen en aardige huisjes, die zonderlinge
visschers, grillige luchten, moerassige vlakten. Men kan dan op zijn
gemak, zonder de oogen dicht te doen, voor zich zien verschijnen
de landschappen door Ruysdael's penseel op het doek gebracht, en de
tronies der bierdrinkers die Teniers teekende.
Naar Holland gaan beteekent trouwens zooveel niet.... Men stapt
's morgens aan 't Noorderstation in een exprestrein, en 's avonds
zit men kalmpjes in een "koffiehuis" te midden van de diepe rust der
weiden en de tonen van een klokkenspel.
Als men in een adem Belgie is doorgespoord, wat niet moeilijk is
met het oog op de kleinheid van het land, komt men te Roozendaal,
het grensstation, waar het gebruikelijk is, zijn krachten eenigszins
te herstellen. Daarna stapt men in een langzamen trein, die er
saai uitziet en op weg is naar Zeeland, het land der eilanden met
zonderlinge namen, doorsneden door vaarten, kanalen, rivieren,
slooten en booten, en bevolkt door vrouwen met bloote armen.
Maar men houde wel voor oogen, dat Holland een wanhopig vlakke en
eentonige streek is, dat het geen heftige aandoeningen wekt, noch
tot opgewonden geestdrift stemt of stille innerlijke verrukking
teweegbrengt. Holland is het land der rust, waar men zich dompelt in
het kalmste welbehagen.
I
Een hollandsche stad.--Middelburg.--De wolken.--De
"boerinnen".--Het huis.--De brugwachter.--De markt.--Een hollandsch
dorp.--Zoutelande.--Goede herbergiers.--Typische avond.--De klompjes
der kleine kinderen.--De kermis.--De vroomheid van den Hollander.
Na veel eentonige moerassen te zijn voorbijgegaan en vochtige
landerijen; na bruggen te zijn overgereden, stopt de langzame trein
te Goes en daarna te Middelburg, de hoofdstad van het eiland Walcheren.
Het was grijs, donker weer op den morgen van mijn aankomst. In Holland
vinden de wolken geen klokkentorens om ze tegen te houden, noch boomen
of heuvels, en dus komen ze van alle kanten aandrijven, wit en rose
en zwart, bruin, oranje of rood, al naar den tijd van den dag, en
door den wind voortgestuwd. Zij lossen zich op in zware regenbuien of
vluchten in compacte massa's heen, trachtend zich hier of daar vast
te zetten; maar de molens, die steeds maar blijven zwenken en draaien,
schijnen ze uit te lachen, net als de baders, die in het water duiken,
als men ze roept.
O, hollandsche wolken, wat hebt ge mij een last bezorgd!... Moet ik
er boos om blijven?... Ik weet het niet, want gij ziet er toch niet
kwaad uit, en Holland zonder wolken zou een afschuwelijke woestijn
zijn; daarom hebben de wolken en het water samen vriendschap gesloten
ten bate van het landschap.
Het was dan grijs en leelijk weer, toen ik in Middelburg uitstapte.
Middelburg, hoort ge wel? is een echt type van een hollandsche stad,
half en half grootsteedsch en half en half boersch. Naast Goes en
Wemeldinge is het de interessantste plaats, waar ik geweest ben.
Het was morgen. Overal ontmoette ik groenteboeren en groenteboerinnen,
sommigen in lage wagentjes, getrokken door kleine, harige paardjes,
anderen, bezig karren voort te duwen, hoog opgestapeld vol met groente,
boter, eieren of melk.
_Trip, trap, trip, trap...._ Dat stapte maar voort zonder
haast. Niemand heeft ooit haast in Holland. Het paard, in een zacht
drafje gebracht, stond dadelijk stil, als 't noodig was.
Boerinnen, jonge meisjes nog, goed gekleed in haar nauwsluitende
jakjes, met dikke heupen door de zware rokken, liepen waggelend
met een juk op de schouders en boden aan de klanten melk en boter
aan in blauwe of groene emmers met deksels, alles van de uiterste
zindelijkheid getuigend.
Het type is niet bijzonder mooi, ik bedoel, niet erg fijn; maar
schoonheid is een zaak, die moeilijk uit te maken is, en tot veel
verschil van meening aanleiding geeft. Ziet men niet dagelijks de
menschen bewonderend stilstaan voor de schilderijen van Rubens,
alles vleesch, want men weet, dat hij bijna niet anders dan dikke
Vlamingen op zijn doeken bracht.
Deze jonge dames kennen in 't geheel geen beschroomdheid. Meer dan
eene, die op mij afkwam met de handen in de zij en met de schouders
schokkend in een droge beweging van onverschilligheid, stond stil,
als ik haar aankeek, ging met een coquet airtje voor mij staan en gaf
mij door teekens te verstaan, dat een geldstukje haar niet onwelkom
zou wezen. Als ik beproefde haar onverwacht te kieken, stiet zij een
kreet, van toorn uit en keerde mij met ostentatie den rug toe. Op
andere plaatsen, bij voorbeeld op Marken, wordt die belasting van
den vreemdeling bijna als een recht geheven; een belachelijk misbruik.
Middelburg!... Zeer net stadje, met straten die alle aan elkaar gelijk
zijn. Rondom kanalen en, boven de daken uitstekend, twee of drie
groote molens. Enkele oude monumenten, geheel in stijl. Zangerige
klokken spelen de uren en laten hun tonen plotseling druppelen in
de doffe stilte der bijna verlaten wegen en straten, waar men weinig
winkels ziet.
Er wordt in Holland niet veel gewandeld, en aan flaneeren wordt in
het geheel niet gedaan. Men leeft te huis opgesloten in zijn dicht
en keurig, goed onderhouden vroolijk woonhuis. Geen huurhuizen van
vijf, zes of tien verdiepingen. Elk gezin heeft zijn thuis, zijn
eigen woning, waar alleen bekenden binnentreden, van wie men zeker is.
Maar wat houdt men dan ook veel van dat "home", hoe graag versiert
men het en tooit het op, wascht het, verft het en boent erop naar
hartelust! Zulk een pijnlijke bezorgdheid doet het oog goed, want
men gevoelt, dat zij een is met de plaatselijke zeden en gebruiken.
De straten, geplaveid met baksteenen, vertoonen geen enkele
onreinheid. De vensters, van zonneblinden voorzien, zijn niet
gestoffeerd met nieuwsgierige gezichten, die op den voorbijganger
neerzien met ingenomenheid of afkeuring. Men ziet geen vrouwtjes bij
de deuren staan praten of gewichtige samensprekingen houden op drukke
kruispunten van wegen. Zelfs de kinderen zijn maar juist even druk
genoeg, om te bewijzen, dat de stad niet door spoken wordt bewoond.
Alleen de spionnetjes kijken u aan, spiegels, die van buiten aan de
vensters zijn bevestigd en waarin de vrouw des huizes, gemakkelijk
achter haar _horrikje_ gezeten, dat is een groen scherm in den vorm
van een klaverblad, uren aaneen gadeslaat wat er voorbijgaat, juist
als visschen doen in het water van een goudvischkom.
O, die vriendelijke doodschheid der hollandsche woningen op een
grijzen achtermiddag in September!
Met mijn camera in de hand, ben ik de kleinste straatjes doorgegaan,
overal met mijn onbescheidenheid binnendringend, waar ik er maar kans
toe zag. Ik dwaalde langs de plechtige kaden, waar het rood der daken
zich voegde bij het bruin van 't vele hout, dat in het water dreef en
bij het rossige waas der boomen, dat den herfst verkondigde. Ik liep
langs de oevers van het groote kanaal; jonge meisjes wisselden er
teekens met de melkboeren aan den overkant, omlijst door den vlakken
horizon, waarin een molen draaide.
Ik kende spoedig tot in de kleinste bijzonderheden den korten doolhof
van wegjes en straten, die alle zonder onderscheid naar het hoofdplein
leiden, waar 't stadhuis te vinden is met al zijn beeldhouwwerk, waar
de weekmarkt wordt gehouden en waar de tram van Vlissingen stopt,
de zeehaven, waar stoombooten van allerlei naties binnenvallen.
De voorstad, die erheen leidt, brengt u aan een brug. Die brug gaat
in het midden omhoog als een dubbel luik, om de schepen met masten
door te laten. De bewerking duurt een goed kwartier, gedurende welken
tijd de weinige personen, die over de brug wenschen te gaan, in 't
minst geen blijk geven van verveling. De brugwachter leunt, als een
mandataris in het volle besef van zijn verantwoordelijkheid, tegen de
leuning; hij zwijgt en wacht op wat de schipper zal verkiezen te doen,
die zijn schuit met de plechtige langzaamheid van een voorvaderlijke
schildpad doet voortschuiven.
Die brugwachter was inderdaad op zichzelf een echt hollandsch
poeem. Rossig in de rossige omgeving, stond hij daar met zijn pijpje
tusschen de lippen geschroefd; een kalme wijsbegeerte straalde van
hem af: de philosofie van de neutrale lichamen, bij tusschenpoozen
zich bewegend naar een onduidelijk aangewezen doel. In hem herleefden
de gestorven geslachten der Nederlanders met de afgemeten gebaren,
die zwegen en droomden en eeuwen van geduld stelden tegenover de
koppige aanvallen van de verraderlijke zee.
Dit is wel echt het karakter van den Hollander. Omringd door het water,
vechtend tegen het water, gevoed door het water, heeft hij de zachte
zwaarte van het water zich eigen gemaakt, dat geluidloos nadert en
onder zijn kleurrijke oppervlakte vreemde werelden verbergt.
Met zijn glad rond gezicht, zijn naar de mode van Lodewijk XI geknipte
haren, zijn dikke handen en zijn beenen in een wijde broek, lacht de
Hollander zelden of nooit, schreeuwt nimmer, vecht niet met woorden
en schijnt in zijn ernstigen blik een wereld van gedachten of van
nevelachtig gepeins te weerspiegelen.
Rossig in de rossige omgeving, rookte de symbolische brugwachter
zijn pijpje, onbekommerd om de overdenkingen, waarin zijn beeld mij
dompelde. Toen het schip voorbij was, draaide hij een ijzeren kruk om,
en de toegang was weer open.
Dit hoekje van de stad was nog stiller dan het overige. Een peinzende
moeder liep er met haar kleinen jongen, die in een doek gewikkeld was,
en geen ander levend wezen was er te zien, geen geluid te hooren dan
het geklepper van den nabijzijnden molen.
De volgende dag was een Donderdag, marktdag te Middelburg. De zon
weigerde mij niet alles op mijn smeekingen en tintte rose de jagende
wolken, die uit den Oceaan gekomen waren. Ik ontbeet vlug met eieren en
ham, verkwikte mij met thee en bereikte de Groote Markt, het tooneel
van den handel.
Drie of vier verplaatsbare winkels, een stroom van boeren en boerinnen
en wagens met witte kappen bewees, dat er wel lust was om zaken te
doen; maar ik zocht overal tevergeefs naar de menigte, die er moet
wezen om aan den straathandel levendigheid te schenken.
In Zeeland is er om zoo te spreken noch landbouw noch industrie. Bij
gevolg kan men er niet uitstallen, als bij ons, die hoopen groenten,
eieren, vruchten of bloemen, waar omheen de huisvrouwen zich
verdringen.
In Zeeland produceert de boer niet veel anders dan melk, boter,
beetwortels en aardappels. De melk en de boter worden bij de klanten
thuis gebracht door de boerinnen, zooals wij reeds hebben gezegd. De
beetwortels gaan per schip naar de fabrieken.
Te spreken van een "markt" voor die wekelijksche bijeenkomst die ik
bijwoonde en die nog voortdurend blijft bestaan, zou eigenlijk minder
geschikt zijn. Onder voorwendsel een paar kilogrammetjes boter te
verkoopen, komen de brave luidjes in de stad hun wekelijksch uitstapje
maken, om er kennissen te ontmoeten, enkele inkoopen te doen, pijpjes
te rooken voor het stadhuis en met de handen in de zakken te droomen
in een herberg, waar een biljard staat, zittend achter een groot glas
bier en luisterend naar het droge geluid der ballen, door zwijgende
spelers bewogen.
Welk een kalmte! Dit volk, met meel en vet gevoed, heeft geen
zenuwen. Breed, zwaar, gezet zonder dik te zijn, herinneren die mannen,
die geen begrip van gebrek en ellende hebben aan chineesche bonzen,
in rieten stoelen gezeten, die langzaam onder hun bolle oogen hun
duimen draaien boven hun buik in stille overpeinzing, zonder op den
voortgang van den tijd te letten.
De mannen voegen zich te zamen op een hoek van de markt, om elkander
hun indrukken mee te deelen over den stand van beesten of beetwortelen
en over de gezondheid van hun kinderen. Op enkele vierkante meters
staan daar een heele menigte typen, die van vreugde kunnen doen
beven de afstammelingen van Teniers, Ostade en Potter, al die goede,
overleden schilders.
Groepen oude boeren met korte broeken, gebloemde kousen en hooge
ketelhoeden, wier kaalgeschoren gelaat door losse haarvlokken omgeven
is, voeren den geest naar voorbijgegane eeuwen.
Die oudjes zien er voor 't meerendeel gezond, maar zeer mager uit,
in tegenstelling met de dikke jongelui en aantoonend, dat juist zij
het oudst worden, die wat droog van spieren zijn.
Uit die algemeene zwaarwichtigheid moet niet worden afgeleid,
dat de intellectueele vermogens beperkt zijn. De Hollander is goed
onderwezen; hij leest wel niet veel, maar onthoudt, wat hij leest. Zijn
goedaardigheid en stugge, massieve manieren zijn dikwijls slechts iets
uiterlijks; men zou, eer men er te vast op bouwde, den onmerkbaren
glimlach moeten kunnen verklaren, die soms rimpels om de ronde, blauwe
oogen doet verschijnen en om de zachte, ongerimpelde monden. Hij heeft,
wat men noemt, den moed om tegen de dingen in te gaan, voortkomend uit
gezond verstand en uit berekening. De eeuwenlange strijd, ondernomen
tegen de zee en de vernielende rivieren, heeft hem groote volharding
geschonken en een onbegrensd geduld, een echte kracht van inertie. Hij
is werkzaam, maar die activiteit is niet onstuimig en wordt aan den
dag gelegd in stillen, geregelden, volhardenden arbeid.
Spaarzaam is hij ook, en in dagen van overvloed blijft hij zuinig;
grootheid en ijdelheid toont hij alleen bij groote gelegenheden,
openbare inschrijvingen, bruiloften of kermissen.
Als een hollandsche boer zijn dochter uithuwelijkt, geeft hij een
gastmaal van stavast. Oudtijds waren de feesten bij bruiloften
zoo algemeen in de zeden doorgedrongen, dat een wet tusschenbeide
moest komen, om te bepalen hoeveel violen er mochten zijn, hoe groot
de waarde der geschenken mocht wezen, en wat de prijs per couvert
moest zijn.
Bij tweeen en drieen staan de melkboeren te praten over allerlei
kleinigheden, op neutralen toon gezegd, terwijl de rook der sigaren
hun oogen in een zilverachtig schijnsel hult, of wel, ze gaan met
langzame schreden naar de herberg en zetten hun vertrouwelijk praatje
voort op de banken langs den muur.
De herbergzaal, of liever de biljardkamer, heeft veel overeenkomst
met onze herbergen en cafe's. Al de ruimte wordt ingenomen door het
enorme biljard met zakken aan de vier hoeken. Verder staat er een
ronde tafel met een gestreept kleed er over, en alles, wat er noodig
is, om te schrijven; stoelen, netjes in rijen geschaard, voltooien
het eenvoudig ameublement voor de wijze klanten.
Men zou, als men daar binnentreedt, kunnen meenen, dat men in het huis
van een particulier is, die u vriendschappelijk, met de ellebogen op
de tafel geleund, een lekker glaasje zal aanbieden.
Op het marktplein ziet men beslist alleen mannen. Waar gaan wel
de vrouwen heen? Ik krijg een drietal huisvrouwen in het oog, die
voortloopen met manden aan den arm, en ik volg ze. Zij brengen mij
weldra op een groote binnenplaats, omringd door een klooster, en in
het midden geeft een oude iep koele schaduw.
Dit is het heiligdom der huisvrouwen. Zij staan er kalm en langzaam
en nauwkeurig zaken te doen in haar wijde rokken, groote boezelaars
en helder gekleurde doeken, de witte mutsen versierd met goud en
zilver. Enkele hebben hun manden neergezet op schragen, die ervoor
klaar staan, of op den grond naast de afgevallen bladeren en wachten
met eindeloos geduld, tot er een koopster opdaagt, om haar te ontlasten
van de vette koopwaar. Anderen staan stil, draaien wat heen en weer,
loopen rond en staan weer stil, zwijgend met onbeslisten blik en
dwalend oog, alsof ze er niet heel zeker van waren, dat zij den vasten
grond betreden.
Verlangt u boter?
Wij wenschen boter.
Hebt u kaas?
Wij hebben kaas; zie, hoe zacht ze is.
Die vragen, die antwoorden, suizen zachtjes met het geluid van den
wind door de takken van den grooten boom, en enkele vrouwen vertellen
elkaar kalm, op welke wijze zij het smakelijke product bereid hebben
met de melk van dien en dien dag, afkomstig van een bepaalde koe.
Onbeduidend en bolbleek zouden die hollandsche dames zijn zonder
haar bijzondere kleeding, juist als die anderen in moderne toiletten,
die alle bekoorlijkheid missen. Met de eigenaardigheden van het land
passen zij op het archaische fond en blijven in haar rechte, statige
houding, alsof ze altijd en overal op doek vereeuwigd moesten worden.
Haar bloote armen, hard geworden door den wind, dragen manden, die met
roode, blauwe of gele doeken toegedekt zijn, en daar het nog zomer is,
dragen zij hoeden op het hoofd in den vorm van omgekeerde bloempotten
met groote pompons versierd.
Onder den olm met bruine takken komen haar gestreepte sjaals flink
uit, zooals zij zich buigen naar de geopende manden der boerinnen,
die mooi zijn als ze nog niet veel jaren tellen, zooals al wat jong
is, ondanks de stijve kleeding, die de buste in rechte hoeken omspant.
Haar voeten, die niet weten wat haast is, drukken de steenen van het
oude plaveisel, en dat is het eenige geluid, dat men verneemt, gedempt
nog in de algemeene stilte.... De zeeuwsche vrouwen schijnen, zou men
zoo zeggen, aanhoudend kostbare geheimen met zich rond te dragen, die
zij enkel aan elkander kunnen openbaren achter een muur, beschilderd
met lichte en donkere strepen en achter de groene zonneblinden voor
de vensters. Haar vochtige oogen weerspiegelen de groote weiden, waar
de jonge koeien grazen, die dikwijls worden gemolken; haar smalle
voorhoofden, stijf geknepen in het kanten omhulsel, zijn blijkbaar
nog onder den indruk van het liedje van 't melken, dat tweemaal per
dag wordt afgespeeld, dat liedje van de melk, die druppel na druppel
met bobbels in den emmer valt, en haar handen zetten nog de bewegingen
als van een harpspeelster voort, waarmee zij de blanke uiers streelen.
Zouden ze zoo zacht zijn als dat voedend vocht?... Laat ons geen te
haastig oordeel vellen! In Zeeland, in Friesland en in Groningen zijn
er brunetten en blondines, rossigen en anderen met kastanjebruine
haren, en zoo de overdaad van zachte spijzen haar aderen heeft gevuld
met een flauw en waterachtig vocht, zij zullen zonder eenigen twijfel
in haar gevoelens niet verschillen van de andere dochteren Eva's.
Dat zijn overdenkingen, waartoe de marktdag in Middelburg iemand
brengt. Zonderlinge markt voorwaar, waar men op de teenen loopt in
eeuwigdurend geflaneer.
Een zeventigjarige, steunend op zijn kleinzoon, lacht mij vriendelijk
toe. Hij is het verleden, hij met zijn costuum van een vlaamsche
schilderij; het kind is het tegenwoordige, de toekomst met zijn
knellend petje en vierkant afgesneden buisje. Ik wenk en wijs op mijn
camera. De kleine wil den ouden heer wegtrekken van dat gevaar, dat
mijn instrument opraper van beelden wezen kon; maar de oude staat
stil en neemt een nobele houding aan als een groot heer, die wel
graag bewonderd wordt.
Een hevige regenbui valt plotseling neer op markt en straten en
huizen met puntdaken; een uur lang klettert het en ruischt en spat
en drijft de kalme boeren in de herbergen; dan schijnt de zon weer,
en er worden toebereidselen gemaakt voor de thuisreis.
De groote wagens in den vorm van schuiten, overdekt met witte huiven,
komen van alle kanten te voorschijn en staan in rijen geschaard. De
meisjes, blij dat ze eens uit zijn; de huisvrouwen, tevreden over
haar inkoopen en haar gezellig gebabbel; de boeren, voldaan over hun
marktwandeling en verzadigd van bier en jenever, allen stijgen in.
_Tott werziens! ... Goedag!_
De paarden schudden met de ooren, tillen de slappe beenen op en
vertrekken, trip, trep, trip, trep, langzaam door de nauwe straten die
goed geplaveid zijn, met zoo min mogelijk gedruisch, naar de stallen.
De stad, die een oogenblik druk en woelig is geweest, herneemt haar
gewone, slaperige kalmte. De zon daalt lager. De grachten schitteren
in veelkleurig licht. In de vallende schemering gaan booten voorbij,
stil met opgezette zeilen en een licht geklots van het water. De
donkere molens maken ter begeleiding van den zonsondergang stomme
teekens, voorbijgaand als de minuten. Achter de neergelaten gordijnen
der huizen verschijnen bleeke lichtschijnsels. Stilte, stilte,
stilte.... Middelburg, hoofdstad van Zeeland op het eiland Walcheren,
verdwijnt in den nacht ...
Zoutelande, een dorp verloren achter de duinen, dichtbij de zee. Een
groote molen wijst de plaats aan. De avond valt. Langs de steenachtige
wegen, met slooten er naast, huilt de wind, kondigt den naderenden
vloed aan. Aan den voet der hooge bergen van zand een hoofdstraat,
schoon als de vestibule van een hotel, met een bruin plaveisel en
lichte, geschilderde en gewasschen huizen. Een enkele herberg, waar
ik tegen de deur stoot. Rondom het biljard vier of vijf mannen met
korte broeken, die rustig spelen. De waard, een kleine grijsaard met
een rond, verheugd gezicht; de waardin, een groote veertigjarige met
verstandige oogen. Zij gaat voor mij staan met de handen op de heupen
en begint in 't Hollandsch een lang gesprek. Ik glimlach en maak een
beweging van spijt. Met behulp van het woordenboek, dat ik uit mijn
tasch haal, geef ik haar te verstaan, dat ik een kamer noodig heb
en voedsel.
Zij brengt een vinger aan het voorhoofd: "Begrepen!" en gaat
heen. Zij komt eenige oogenblikken later terug met haar dochter,
ook groot en forsch, en begint opnieuw een gesprek. Ik leg voor het
meisje mijn wensch bloot, en beide zijn het geheel eens, zeggende:
"Begrepen!" Helaas!... het meisje gaat den vader halen, die ja zegt
op alles, wat ik aanwijs, steeds maar lacht en met het hoofd knikt op
de manier van porseleinen poppetjes. Wanhopig doe ik mijn mond open,
steek er den voorvinger al kauwend in, en buig mij over een tafel
met de oogen dicht.
Zij vouwen de handen, zijn verrukt en kijken elkander aan: "Wat is
die man toch gek en wat doet hij dwaas!"
"Begrepen, begrepen," zeggen ze, en verwachten misschien, dat ik
nog meer door gebaren zal aanwijzen; maar ik zeg bij mij zelven, dat
ik hier toch geen Kaffers of Berbers voor mij heb, en ik ga waardig
op een stoel zitten, de tong uitstekend als bewijs, dat ik wel zou
willen drinken.
Er wordt mij melk gebracht. De schemering wordt zwaarder. In de hoop,
dat ze wel wat voor mij zullen braden, ga ik uit. De wind is hevig,
blaast door mijn haren, en ik zie niemand buiten. Ik beklim het duin;
men kan er niet staan. De zee schuimt tegen de palen, geplaatst langs
de dikke steenen, die het zand moeten tegenhouden. In de verte vecht
een antwerpsche stoomboot tegen den wind en schuin waait haar rookpluim
achter haar aan.
Brr, wat is het koud! Ik ben wel genegen den lof der Zeeuwen te zingen
hier boven van mijn berg; maar de molen, die statig ronddraait ginds
aan 't eind van het dorp, schijnt mij uit te lachen met zijn groote,
zwaaiende armen.
Ik ga terug naar de "Roode Leeuw, logement en koffiehuis." De
biljardspelers zijn weggegaan. De baas rookt zijn pijp bij 't fornuis,
terwijl zijn dochter aardappelen zit te schillen.
De huisvrouw houdt mij haar vinger voor en wijst naar de deur van
een kamer. Ik geef gevolg aan die peremptoire uitnoodiging en vind
op een tafellaken een glas melk, twee eieren en kaas, bescheiden menu
van de kluizenaars uit Gallie in den tijd der barbaren.
Mijn maag voelde hol en leeg na zoo'n middag van beweging, en ik vroeg
luidop om meer. Er was niet meer. De vrouw keek mij met ontzetting
aan en stelde een nieuwe speech samen, waarvan ik niets begreep.
"Brood en melk, lief moeder", wees ik haar in het woordenboek, met
een gebiedende beweging.
Begrepen!
Helaas, ik kreeg dan ook niets anders dan brood met boter, besproeid
met bier en melk.
Toen ik mijn razenden honger had gestild, voegde ik mij bij de familie
om 't fornuis, waar een ketel met water stond te koken. Het meisje
schilde nog altijd aardappelen, en de moeder, met het hoofd voorover,
krabde zich den hals, terwijl de vader, diep gedoken in een houten
leunstoel, kringetjes blies uit zijn groote pijp.
O, hollandsche avond, daar in die dichte herberg, glimmend van
properheid, ik zie u nog! De geverfde hangklok scandeerde de minuten
met haar rooden slinger. De muren, behangen met porseleinen borden
met blauwe bloemen, gaven bij het schijnsel van de lamp een illusie,
alsof ze van marmer waren en een lichtende lijst vormden om de massieve
meubels van bruin mahoniehout.
Pietje is een aardig boerinnetje, en de ouders ook zijn beste
luidjes. De taal der oogen, die rijk is aan uitdrukking, vervangt
in voldoende mate die der tongen, en wij vangen weldra elkanders
gedachten op, als we ons best doen er uitdrukking aan te geven.
Die stilte en rust irriteeren echter na verloop van een uur mijn
zenuwen van levendigen Franschman. De oude is zoo tevreden, dat hij mij
ergert, en het gekrab van de moeder werkt aanstekelijk. Ik profiteer
van het oogenblik, waarop de dochter met haar werk klaar is en wijs
met een energieke beweging naar de zoldering.