Donald Finkel, 79, Poet of Free-Ranging Styles, Is Dead
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Book Review: The Dream by Gurbaksh Chahal
Ad -

Book Review: The Dream by Gurbaksh Chahal
Donald Finkel, a noted American poet whose work teemed with curious juxtapositions, which in their unorthodoxy helped illuminate the function of poetry itself, died on Nov. 15 at his home in St. Louis. He was 79. The cause was complications of Alzheimers

A / B / C / D / E / F / G / H / I / J / K / L / M / N / O / P / R / S / T / U / V / W / Y / Z

Anna Karenina written by Lev Nikolaevica Tolstoi

L >> Lev Nikolaevica Tolstoi >> Anna Karenina

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52


Anna Karenina


Naar het Russisch van

Graaf Leo Tolstoi







EERSTE BOEK.




I.

Gelukkige huisgezinnen zijn elkander gelijk; ieder ongelukkig gezin is
daarentegen op bizondere wijze ongelukkig. In het huis der Oblonsky's
liep alles in de war. De huisvrouw was er achter gekomen, dat haar
man op te vertrouwelijken voet stond met de Fransche gouvernante,
en daarom had zij hem verklaard, niet langer met hem onder een dak
te willen leven. Dit was voor drie dagen voorgevallen en de daaruit
ontstane wanverhouding drukte evenzeer de echtgenooten zelf, als de
andere familieleden en het dienstpersoneel. Alle huisgenooten hadden
een gevoel, alsof er in hun samenzijn niet meer de rechte geest was,
alsof de gasten, die toevallig in een herberg samentreffen, meer met
elkander verbonden waren dan zij.

De huisvrouw verliet haar kamer niet, mijnheer was sedert eenige dagen
afwezig, de kinderen liepen als vergeten en verlaten door het huis
rond. De Engelsche bonne was 't met de huishoudster oneens geworden
en schreef aan een vriendin om naar een andere betrekking voor haar om
te zien. De kok had den vorigen middag reeds huis en dienst verlaten,
ook de onderkeukenmeid en koetsier eischten hun loon.

Op den derden dag ontwaakte Stipan Arkadiewitsch Oblonsky--Stiwa,
zooals hij door zijn vrienden genoemd werd--op den gewonen tijd en wel
's morgens om acht uur, doch niet in zijn slaapkamer, maar in zijn
studeervertrek op een marokijnlederen sofa. Hij keerde zijn welgedaan
lichaam nog eens op de kussens om, om nog weder in te sluimeren,
omarmde het hoofdkussen en drukte zijn wang daar stevig tegen aan,
doch eensklaps richtte hij zich op, bleef overeind zitten en opende
de oogen.

"Ja, ja, hoe was het ook weer?" hij zocht zich een droom te
herinneren. "Ja, hoe was het toch? Juist! Alabin gaf een diner te
Darmstadt, neen! niet te Darmstadt.... Het was iets Amerikaansch. Ja,
maar dan was Darmstadt in Amerika. Ja, Alabin gaf een diner op glazen
tafels, en die tafels zongen: Il mio tesoro.... Neen, niet il mio
tesoro ... iets veel mooiers.... En daar waren kleine kristallen
flesschen, en daar waren vrouwen...."

De oogen van Stipan Arkadiewitsch glinsterden vroolijk en lachend
mijmerde hij verder.

"Ja, het was heerlijk, heerlijk mooi! O! daar was nog zooveel
meer schoons,--men kan zich dat wakend in het geheel niet meer
voorstellen--dat is onmogelijk!"

Daar hij juist een streep daglicht door de rolgordijnen zag schemeren,
wipte hij vlug zijn beenen van de sofa, tastte daarmede naar de
geborduurde pantoffels, een geschenk van zijn vrouw op zijn laatsten
verjaardag, en strekte toen, zooals hij negen jaar gewoon was,
zonder zich op te richten, de hand naar de plaats uit, waar in het
slaapvertrek zijn chambercloak placht te hangen. Daar hij dien niet
vond, herinnerde hij zich, waarom hij niet in het slaapvertrek ontwaakt
was. De lach verdween van zijn gelaat, zijn voorhoofd rimpelde zich.

"Ach, ach!" zuchtte hij, terwijl de voorstelling van alle bizonderheden
van de bewuste scene met zijn vrouw bij hem het besef van de volslagen
hopeloosheid van zijn toestand en het drukkende bewustzijn zijner
eigen schuld opwekte.

"Neen, zij zal het mij niet vergeven, zij kan niet vergeven! En het
ergste is, dat alles mijn schuld is! 't Is geheel en al mijn schuld en
toch ben ik de schuldige niet. Dat is het tragische er van!" dacht hij.

"Ach, ach!" steunde hij wanhopig en herinnerde zich die oogenbllkken
van dat tooneel, die voor hem het pijnlijkst waren. 't Onaangenaamste
was dat hij, toen hij vroolijk en vergenoegd uit den schouwburg te huis
komend met een groote peer voor zijn vrouw in de hand, deze niet in het
salon aantrof en tot zijn verwondering ook niet in het woonvertrek,
maar in de slaapkamer, met het ongelukkig, alles verradend briefje
in de hand!

Zij, de altijd bekommerde en zorgvolle, de naar zijn opvatting
oppervlakkige Dolly, zat daar onbeweeglijk met den brief in de hand en
zag tot hem op met een uitdrukking vol ontzetting en vertwijfeling,
maar waarin toch nog de hoop doorschemerde, dat hij alles zou kunnen
loochenen.

"Wat is dit? Wat is dit?" vroeg zij en wees op het briefje. En
zooals het dikwijls geschiedt, kwelde Stipan Arkadiewitsch niet
zoozeer de zaak zelf, als wel de wijze, waarop hij de vraag zijner
vrouw beantwoord had. Hem overkwam, hetgeen dezulken overkomt, die
onverwachts op iets strafbaars worden betrapt. Het gelukte hem niet
zijn gelaat in de plooi te brengen, die bij zijn positie paste. In
plaats van zich beleedigd te toonen, of alles te bestrijden, of
te trachten zich te rechtvaardigen, of om vergiffenis te smeeken,
of ook eenvoudig heel onverschillig te blijven--dit alles zou veel
beter geweest zijn dan dat, wat hij nu deed: over zijn gelaat gleed
namelijk plotseling (--"een reflex der hersenwerkzaamheid," meende
Stipan Arkadiewitsch, die veel van physiologie hield--) alzoo over
zijn gelaat gleed onwillekeurig zijn gewoon, goedmoedig en daarom
zoo recht onnoozel lachje. En dit onnoozel lachje kon hij zich zelf
niet vergeven.

Toen Dolly dat domme lachje zag, was het alsof zij van pijn ineen
kromp, met de haar eigen heftigheid brak zij in een stroom van harde
woorden los en stormde het vertrek uit. Sinds dien tijd wilde zij
haar echtgenoot niet meer zien.

"Dat verwenschte lachen is de schuld van alles!" dacht Stipan
Arkadiewitsch. "Maar wat te doen? wat nu te doen?" vroeg hij zich
wanhopig af en vond geen antwoord.





II.

Stipan Arkadiewitsch was tegenover zich zelf tamelijk oprecht. Hij
kon niet liegen en zich zelf verzekeren, dat zijn handelwijze
hem berouwde. Hij kon er geen berouw over gevoelen, dat hij, een
vijf-en-dertigjarig man met licht ontvlambaar temperament, niet
op zijn eigen vrouw, moeder van vijf levende en twee gestorven
kinderen, verliefd was, te meer daar zij maar een jaar jonger was
dan hij. Hij betreurde het slechts, dat hij het niet beter geheim
had kunnen houden. "Als men niet gepakt wordt, is men geen dief,"
dacht hij. Maar wel gevoelde hij al het netelige van zijn toestand
en medelijden met zijn vrouw en kinderen.

Misschien zou hij zorgvuldiger zijn zonden voor zijn vrouw hebben
weten te verbergen, indien hij had kunnen vermoeden, dat de kennis
daarvan zoo op haar zou werken.

Nooit nog had hij helder over de geheele zaak doorgedacht, slechts
had hij een nevelachtige voorstelling, alsof zijn vrouw er iets van
giste en ze door de vingers zag.

Het kwam hem zelfs voor, dat zij, een zwakke, vroeg verouderde en
niet eens meer knappe vrouw, een door niets uitmuntende, eenvoudige
en slechts goede huismoeder, volgens recht toegevend zijn moest. En
nu was hem het tegenovergestelde gebleken!

"O vreeseljjk, vreeselijk!" klaagde Stipan Arkadiewitsch weer en vond
geen uitweg.

"En hoe goed hadden wij het tot hiertoe! Hoe goed hebben wij met
elkander geleefd! Zij was tevreden en gelukkig met de kinderen,
ik legde haar niets in den weg en liet haar met de kinderen en de
huishouding haar eigen gang gaan. Dit is waar: het was niet goed, dat
Jeanne bij ons gouvernante was, dat deugde niets! Een minnarij met een
gouvernante is iets triviaals! Maar welk een gouvernante was zij ook!"

Daarbij herinnerde hij zich weer levendig de zwarte, guitachtige
oogen en het betooverend glimlachje van mademoiselle Roland.

"En zoo lang ze bij ons in huis was, heb ik mij toch ook niets
veroorloofd! Het ergste is echter, dat zij al.... Ach, het moest
alles zoo komen! Ach, ach, wat nu gedaan, wat nu toch gedaan?"

Op die vraag vond hij slechts het eene, algemeene antwoord, dat het
leven op de ingewikkeldste en onoplosbaarste vraagstukken geeft: Leef
zoo, dat gij elken dag zijn recht geeft, tracht u zelf te vergeten
en te bedwelmen in den droom des levens.

"Verder zal het wel terecht komen," sprak Stipan Arkadiewitsch tot
zich zelf, stond op, trok een grijzen met blauwe zijde gevoerden
chambercloak aan, maakte die met de van kwasten voorziene koorden
vast, zette zijn breede borstkas door een diepe ademhaling uit, ging
met den gewonen elastischen tred van zijn krachtige beenen, die het
weldoorvoede lichaam zoo gemakkelijk droegen, op het venster toe,
trok het gordijn op en schelde.

Terstond verscheen zijn oude kamerdienaar Matjeff met rok, laarzen
en een telegram in de hand. Achter dezen verscheen de barbier met
alle benoodigdheden voor zijn meester.

"Zijn er ook acten van het gerecht gekomen?" vroeg Stipan
Arkadiewitsch, nam het telegram en zette zich voor den spiegel.

"Daar op tafel," antwoordde Matjeff en zag zijn heer met een vragenden,
deelnemenden blik aan. Een oogenblik later voegde hij er met een sluw
lachje bij: "Er was iemand van den stalhouder hier."

Stipan Arkadiewitsch antwoordde niet, slechts zag hij in den spiegel
Matjeff aan. Aan de blikken, die zij in den spiegel wisselden zag men,
dat zij elkander goed begrepen. Stipan's blik scheen te vragen:

"Waarom zeg je mij dat? Weet je dan niet?".... Matjeff stak de handen
in den zak van zijn buis, trad met een voet terug en zag zijn heer
met een goedmoedigen, nauwelijks merkbaren glimlach aan.

"Ik zeide hem, dat hij den volgenden Zondag weerkomen en voor dien tijd
noch u, noch zich zelf onnoodigen last moest aandoen." 't Was blijkbaar
een van buiten geleerd lesje. Stipan Arkadiewitsch begreep, dat Matjeff
schertste en zijn opmerkzaamheid tot zich trekken wilde. Hij scheurde
het telegram open en las het. Toen hij de volgens gewoonte verkeerd
geschreven woorden raadde, verhelderde zijn gelaat.

"Matjeff! mijn zuster Anna Arkadiewna komt morgen," zeide hij en hield
de glimmende, vleezige hand van den barbier, die een rooskleurigen
weg tusschen de krullende bakkebaarden baande, een oogenblik vast.

"Goddank!" riep Matjeff uit en bewees daarmede, dat hij het belang
van die overkomst even goed begreep als zijn heer, dat wil zeggen,
dat Anna Arkadiewna, Stipan's lievelingszuster, zeer veel zou kunnen
bijdragen tot de verzoening van man en vrouw.

"Alleen of met mijnheer haar echtgenoot?"

Stipan Arkadiewitsch kon niet antwoorden, daar de barbier juist met
zijn bovenlip bezig was.

Daarom stak hij een vinger in de hoogte. Matjeff knikte hem in den
spiegel toe.

"Alleen dus," sprak hij.--"Dan moet het boven zeker voor haar
ingericht worden?"

"Meld het aan Darja Alexandrowna en doe zooals zij beveelt."

"Darja Alexandrowna?" herhaalde Matjeff, als twijfelde hij goed
gehoord te hebben.

"Ja, meld het. En daar, neem het telegram, geef het haar en kom mij
mededeelen, wat zij er van zegt."

"Dat is dus een verkenningsboodschap," overlegde Matjeff, doch overluid
zeide hij slechts: "Zooals u beveelt."

Stipan Arkadiewitsch was reeds bijna geheel gekleed, toen Matjeff
langzaam met het telegram in de hand terugkeerde. De barbier was er
niet meer.

"Darja Alexdrowna beveelt mij u te melden, dat zij vertrekt en u
het naar goedvinden kan laten inrichten," sprak hij en zag daarbij,
het hoofd een weinig op zijde gebogen, de handen in de zakken en een
voet achterwaarts, zijn heer aan.

Stipan Arkadiewitsch zweeg. Plotseling blonk er een goedmoedig,
maar pijnlijk lachje op zijn schoon gelaat.

"Ach, Matjeff!" zeide hij en schudde het hoofd.

"Alles zal nog wel terecht komen, mijnheer!"

"Zou het?"

"Ja, mijnheer."

"Geloof je waarlijk? Wie is daar?" vroeg hij, daar het ruischen van
een vrouwenkleed aan de deur gehoord werd.

"Ik ben het," antwoordde een vaste, aangename vrouwenstem, en het
harde, door pokken geschonden gelaat van de kinderjuffrouw, Matrona
Filimonowna verscheen in de deur.

"Nu, wat is er aan de hand, Matrescha?" vroeg Stipan Arkadiewitsch.

Niettegenstaande hij tegenover zijn vrouw zoo door en door schuldig
was, wat hij zelf gevoelde, waren toch allen in huis op zijn hand,
tot zelfs de kinderjuffrouw, de vertrouwde van Darja Alexandrowna.

"Mijnheer, ga toch naar haar toe en biecht nog eens," zeide zij,
"misschien, dat God u helpt. Zij lijdt al te veel. Het doet iemand
pijn dat aan te moeten zien. En alles gaat in huis ten onderste
boven. Gij moet aan de kinderen denken, mijnheer! Biecht nog eens,
mijnheer? u kan niet anders doen. Wie den bal kaatst, moet hem ook....

"Zij wil mij immers in het geheel niet meer zien?"

"Dan hebt gij ten minste het uwe gedaan. God is barmhartig,
mijnheer! Wend u tot Hem!"

"Nu goed, goed, ga maar heen!" zeide Stipan Arkadiewitsch plotseling
blozend.--"Matjeff, help mij kleeden," en vastberaden trok hij zijn
chambercloak uit.





III.

Nadat Stipan Arkadiewitsch gekleed was, besprenkelde hij zich met
reukwater, trok de manchetten wat op de handen, vulde volgens gewoonte
alle zakken met cigaretten, brieventasch, lucifersdoos, horloge met
dubbelen ketting en breloques; sloeg den zakdoek uit de vouwen en
daar hij nu zoo frisch, welriekend en opgeruimd was en zich ondanks
zijn ongeluk lichamelijk gezond gevoelde, ging hij met lichten tred
in de leeskamer, waar hem reeds de koffie, gerechtsacten, brieven
en papieren wachtten. De brieven las hij het eerst. Een daarvan deed
hem onaangenaam aan. Hij was van een makelaar, die het bosch op het
landgoed zijner vrouw wenschte te koopen. Die verkoop was noodzakelijk,
maar voor de verzoening met zijn vrouw kon daar natuurlijk geen sprake
van zijn.

Die brief trof hem daarom zoo bizonder onaangenaam, omdat nu aan die
verzoening met zijn vrouw een geldelijk belang verbonden werd, en
de gedachte, dat dit belang hem zou kunnen leiden, dat hij enkel om
den verkoop van het bosch een verzoening met haar zou kunnen zoeken,
die voorstelling beleedigde hem.

Nadat de brieven gelezen waren, nam hij de gerechtsacten ter hand,
doorbladerde vluchtig eenige aanklachten, maakte met een groot potlood
kantteekeningen daarbij, schoof ze daarna ter zijde en begon koffie
te drinken. Intusschen opende hij een morgenblad, dat nog vochtig
was van de pers, en las het door.

Stipan Arkadiewitsch was geabonneerd op een liberaal blad, niet zoozeer
een radicaal, maar een van de richting der meerderheid. Ofschoon noch
wetenschap, noch kunst, noch politiek hem bizonder belang inboezemde,
hield hij zich toch aan de richting, die zijn courant en de meerderheid
voorstonden en hij wijzigde zijn inzichten slechts dan, wanneer de
meerderheid die wijzigde, of liever, hij wijzigde ze niet, maar zij
wijzigden zich onmerkbaar in hem.

Hij koos zich geen richting of meening, maar deze kwamen van zelf tot
hem; evenzoo als hij nooit een hoed of rok naar eigen smaak koos, maar
ze nam, zooals ze op 't oogenblik door ieder gedragen werden. Daar
hij in een gezochten gezelschapskring verkeerde en de tijdstrooming
een zekere mate van intellectueele werkkracht ontwikkelde, was
het voor hem even noodig er een levensbeschouwing op na te houden,
als een hoed en rok te bezitten. En was er ook al een grond voor,
dat hij de liberale richting boven de conservatieve stelde, waartoe
toch ook velen uit zijn kring behoorden, dan was het niet, omdat hij
de liberale voor de betere hield, maar eenvoudig omdat ze beter met
zijn levensbeschouwing overeenkwam. De liberale partij verkondigde,
dat alles in Rusland slecht was, en inderdaad Stipan Arkadiewitsch
had vele schulden en kwam nooit met zijn geld rond; de liberale partij
zeide, dat het huwelijk een verouderde instelling is en noodzakelijk
moet gewijzigd worden, en waarlijk schonk het huwelijksleven Stipan
weinig vreugde en dwong hem te liegen en te huichelen, hetgeen toch
met zijn natuur in strijd was; de liberale partij zeide of liet
doorschemeren, dat de godsdienst nog slechts een teugel was om de
onontwikkelde volksklasse in bedwang te houden, en waarlijk Stipan
Arkadiewitsch kon zonder pijn in de voeten te krijgen, zelfs niet
de kortste godsdienstoefening bijwonen en kon maar niet begrijpen,
waartoe al die verschrikkelijke en groote woorden over het leven
hiernamaals toch moesten dienen, daar men zonder dat ook in deze
wereld heel goed leven kon. Zoo werd dus het volgen van de liberale
richting voor Stipan een gewoonte en hij was een even groot vriend
van de courant als van zijn cigaar na het middagmaal, omdat ze in
zijn hersenen een aangenamen nevel te voorschijn riep.

Hij las het hoofdartikel, waarin uit elkander gezet werd, hoe er geheel
onnoodig een geschreeuw was opgegaan, alsof het radicalisme alle
conservatieve elementen dreigde op te ruimen en dat de regeering nu
verplicht zou zijn pogingen in het werk te stellen om de revolutionaire
Hydra te onderdrukken, maar dat in tegendeel "naar onze zienswijze"
het gevaar niet schuilde in de revolutionaire Hydra, maar in de
hardnekkigheid der traditioneele richting die alle vooruitgang
tegenhield enz. Hij las ook een financieel artikel, waarin Bentham en
Mill genoemd en aan het ministerie eenige speldeprikken toegebracht
werden. Met het hem eigen vlugge bevattingsvermogen begreep hij de
bedoeling van elke zinspeling, van wien ze kwam, op wien ze gemunt
was en waarom, en daarin vond hij een bizonder genoegen. Maar heden
was hem dat genot vergald door de herinnering aan den raad van Matrona
Filimonowna en door dat niets in huis ging, zooals het gaan moest. Hij
las ook, dat graaf von Beust naar Wiesbaden gereisd zou zijn; dan,
dat men geen grijze haren meer behoefde te hebben; verder dat er een
lichte coupe te koop werd aangeboden, dat een jong mensch zich aanbood,
en zoo al meer. Maar al die berichten verschaften hem nu niet zooals
anders een licht, ironisch genot.

Nadat hij den tweeden kop koffie gedronken en een broodje verorberd
had, stond hij op, schudde de broodkruimels van zijn vest, zette een
hooge borst, lachte vergenoegd, niet omdat hij zoo bizonder prettig
gestemd was, neen, dit vergenoegde lachje werd alleen door zijn
goede spijsverteering te voorschijn geroepen. Maar juist dit lachen
herinnerde hem terstond aan het voorgevallene en stemde hem ernstig.

Twee kinderstemmen (Stipan herkende de stem van Grischa, het jongste
zoontje, en van Tania, het oudste meisje) klonken achter de deur. Zij
schoven iets voor en lieten dat vallen.

"Ik zei het immers wel, wij mogen de passagiers niet boven op de kap
zetten," riep het meisje in het Engelsch.

"Nu kun jij ze er weer opzetten, hoor!"

"Ach, ach! alles is in de war," dacht Stipan; "daar loopen de kinderen
nu alleen door het huis rond."

Hij ging naar de deur en riep ze binnen. Zij lieten de doos, die een
wagen moest voorstellen, staan en gingen naar hun vader. Het meisje,
zijn lieveling, liep fluks op hem toe, omarmde hem en hing lachend aan
zijn hals. Zij hield veel van haar vader, van zijn liefkozingen en den
heerlijken geur, die uit zijn baard opsteeg. Het meisje kuste zijn
door de gebogen houding blozend gelaat, dat van teederheid straalde
en wilde weer wegloopen. Haar vader hield haar echter tegen.

"Hoe gaat het toch met mama?" vroeg hij en streelde het poezele halsje
van zijn dochtertje. "Goeden morgen!" zei hij vriendelijk tot den hem
nu ook groetenden knaap. Hij besefte, dat hij van dezen minder hield,
en deed zijn best dit niet te toonen. Maar de knaap gevoelde het en
beantwoordde den koelen lach van zijn vader niet.

"Mama? die is opgestaan," antwoordde het meisje.

Stipan Arkadiewitsch zuchtte. "Dus heeft ze weer den ganschen nacht
niet geslapen!" dacht hij.

"Is zij opgeruimd?" Het meisje bloosde. Zij wist, dat er tusschen
haar ouders iets voorgevallen was, en dat mama daarom niet opgeruimd
zijn kon, dat papa dat weten moest en dus huichelde, als hij daar zoo
losjes naar vroeg. Het meisje bloosde over haar vader. Hij begreep
het terstond en bloosde ook.

"Ik weet het niet," sprak het kind; "zij zeide, dat wij vandaag niets
behoefden te leeren en met miss Gull naar grootmama mochten wandelen !"

"Nu, ga dan maar uit, Tanischka! Maar wacht nog een oogenblik!" zeide
hij, haar terughoudend en het zachte handje streelend. Toen nam hij
een bonbondoos en zocht er haar lievelingsstukjes van chocolade en
fondant uit.

"Is dit voor Grischa?" vroeg zij en wees naar de chocoladebonbons.

"Ja, ja!" hernam hij en streelde haar schouders nog eens, kuste hand
en haren, ook haar hals en toen eerst liet hij haar gaan.

"Het rijtuig is voor!" meldde Matjeff. "Er is ook een vrouw om u te
spreken," voegde hij er bij.

"Heeft zij lang gewacht?" vroeg Stipan.

"Ongeveer een half uur."

"Hoe dikwijls heb ik bevolen mij zoo iets terstond te melden?"

"U moet toch rustig koffie kunnen drinken!" zei Matjeff op dien
vriendschappelijk ruwen toon, waarover men zich nooit kan ergeren.

"Nu, roep haar dadelijk binnen!" gebood Stipan Arkadiewitsch en bracht
zijn gelaat in strenge plooi.

De suppliante, de vrouw van een kapitein Karenina, had een onmogelijk
en zinneloos verzoek.

Maar Stipan liet haar, volgens zijn gewoonte, plaats nemen, luisterde
zonder haar in de rede te vallen, gaf haar een uitvoerigen raad,
tot wien en waarheen zij zich moest wenden, en schreef zelfs voor
haar met groote, duidelijke hand vlug een briefje aan dengene, die
haar wellicht zou kunnen helpen.

Nadat hij de kapiteinsvrouw had laten gaan, nam hij zijn hoed en stond
een oogenblik na te denken, of hij ook iets vergeten kon hebben. Hij
had echter niets vergeten als dat, wat hij vergeten wilde, zijn vrouw.

"Ja zoo!" Hij liet het hoofd hangen en zijn innemend gelaat nam een
pijnlijke uitdrukking aan.

"Zal ik gaan of niet gaan?" vroeg hij zich af. Hij meende een inwendige
stem te hooren, die hem influisterde niet te gaan, daar hij toch
zou moeten liegen. Het was toch immers een onmogelijkheid, dat hun
betrekking tot elkander weer worden kon als voorheen; zij toch kon
niet weer bevallig worden en zijn liefde opwekken; hij kon toch geen
grijsaard worden, bij wien alle verlangen naar liefde uitgestorven
was. Zonder huichelarij en leugen kon er niets meer terecht gebracht
worden en valschheid en leugen streden tegen zijn natuur.

"Maar het moet toch eens geschieden, zoo kan het niet altijd
blijven!" sprak hij, zich zelf vermannend om tot een besluit te
komen. Hij richtte fier het hoofd op, nam oen cigarette, deed
eenige trekjes, wierp ze toen weer in een paarlmoeren aschbakje,
schreed ijlings door het salon, dat hem nu ondanks alle schilderijen,
bronsgroepen en versieringen zoo vervelend en somber voorkwam, en
opende toen de deur van de kamer zijner vrouw.





IV.

Darja Alexandrowna stond tusschen allerlei in 't rond gestrooide
voorwerpen aan een geopend schrijfbureau, in neglige, met dunne
opgestoken haarvlechten, een door kommer verwrongen gelaat en groote,
verschrikte oogen.

Toen zij zijn tred hoorde, hield ze op en zag naar de deur, terwijl
zij vergeefs moeite deed haar gelaat een strenge en verachtelijke
uitdrukking te geven. Zij voelde, dat zij hem, of liever de op handen
zijnde samenkomst, vreesde. Zij beproefde dat te doen, wat zij in
deze drie dagen wel tienmaal te vergeefs beproefd had, haar goed en
dat van de kinderen in te pakken en naar haar moeder te rijden. Ook nu
weer moest ze zich zelf bekennen, dat het zoo niet blijven kon en dat
zij iets doen moest om hem te bestraffen en hem, was het ook slechts
in geringe mate, de smart te doen gevoelen, die hij haar veroorzaakt
had. Zij wilde hem verlaten en voelde, dat het haar onmogelijk was,
geheel en al onmogelijk, daar ze zich niet kon ontwennen hem als haar
echtgenoot te beschouwen en hem lief te hebben. Zij voelde dat zij
niet in staat was te vertrekken, maar terwijl zij zich zelf bedroog,
zocht ze haar goed bijeen en deed alsof zij wegreizen wilde.

Toen ze haar man zag, begon zij in een schuiflade te schommelen,
als zocht zij iets, daarna vermande zij zich en zag naar hem om. Haar
gelaat, dat strengheid en vastberadenheid moest uitdrukken, teekende
echter onbeholpenheid, angst en smart.

"Dolly!" sprak hij met zwakke, vreesachtige stem.

Hij liet het hoofd tusschen de schouders zakken om er beklagenswaardig
en onderworpen uit te zien, zijn gelaat straalde daarbij echter van
frischheid en gezondheid. Zij mat hem met vluchtigen blik van het
hoofd tot de voeten.

"Ja, hij is gelukkig en tevreden," dacht zij, "en ik?.... O, die
afschuwelijke goedigheid, waarom ieder hem prijst en bemint--ik
haat ze!"

Haar lippen klemden zich op elkander, de rechterwangspier van haar
bleek gelaat werd zenuwachtig vertrokken.

"Wat wilt gij?" vroeg zij met gejaagde, haar zelf vreemde stem.

"Dolly!" sprak hij sidderend, "Anna komt van daag."

"Wat gaat mij dat aan? Ik kan haar niet ontvangen," riep zij uit.

"Dolly! eindelijk moet het toch...."

"Ga weg, ga weg van mij!" riep zij heftig.

Tot hiertoe had Stipan Arkadiewitsch heel kalm aan zijn vrouw kunnen
denken, hij had ook steeds gehoopt, dat, volgens Matjeffs zeggen,
alles terecht zou komen, en had daardoor rustig zijn courant lezen
en zijn koffie drinken kunnen.

Nu echter, nu hij haar bekommerd gelaat zag en aan den klank harer
stem hoorde, hoe ongelukkig en wanhopig zij was, nu was het hem alsof
zijn keel toegeschroefd werd en zijn oogen vulden zich met tranen.

"Mijn God, wat heb ik toch gedaan! Dolly, om Godswil....!"

Hij kon niet verder spreken, snikken verstikten zijn stem.

Zij sloot het bureau en zag hem aan.

"Dolly! Wat kan ik zeggen? Slechts dit eene: vergiffenis,
vergiffenis! Bedenk toch, kunnen negen jaren, die wij te samen geleefd
hebben, niet een oogenblik...."

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52
Copyright (c) 2007. topknownstories.com. All rights reserved.