Reis naar Yucatan written by Desire Charnay
D >>
Desire Charnay >> Reis naar Yucatan
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 | 9 |
10
Laat ons een blik werpen op die beeldwerken. Eene eerste plaats
bekleedt daaronder een groot bas-relief in hout, dat ongetwijfeld deel
uitmaakte van een altaar en eene treffende gelijkenis heeft met de
steenen bas-reliefs, die wij te Palenque hebben gevonden. Dit paneel
heeft ongeveer dezelfde afmetingen: het is een el vijf-en-negentig duim
hoog en twee el acht-en-twintig duim breed. Evenals op de gebeeldhouwde
zerken van Palenque, zien wij hier twee figuren in hoog relief, omgeven
van die wonderlijke, barbaarsche en vaak onverklaarbare ornamenten
en attributen, die een kenmerk zijn van de amerikaansche beeldwerken.
De letters van de opschriften ter rechter en ter linker zijde zijn
verwonderlijk goed bewaard gebleven en kunnen onmogelijk tot een
verwijderd tijdperk behooren; die letters of teekens zijn overigens
geheel dezelfden, die wij te Lorillard en te Palenque hebben gevonden,
en die wij straks te Copan zullen wedervinden. De hoofdfiguur neemt
hier het midden van het paneel in, in plaats van aan de rechter of
linker zijde te staan, zoo als op de zerken van Palenque, waar het
beeld der godheid het midden inneemt.
Deze hoofdfiguur is een man, in staande houding, het hoofd gedekt
met een allerwonderlijkst kapsel, overladen met allerlei grillige
gedrochtelijke ornamenten en uitloopende in reusachtige vederbossen
of pluimen: in een woord, een monsterachtig hoofddeksel, waarvan de
onzinnige wanstaltigheid ten volle voor het barbaarsche dezer kunst
getuigt. In de rechterhand houdt dit personage een soort van schepter,
gekroond met vederen of den staart van een vogel: zijn linkerarm is
halverwege bedekt door een soort van schild. Zijne kleeding is zeer
rijk; behalve een met paarlen versierde halskraag of schoudermantel
draagt hij eene lange en rijk geborduurde tuniek, die bijna tot
aan de voeten afhangt. Onnoodig te zeggen, dat de teekening van het
menschenbeeld zoo gebrekkig en onbeholpen mogelijk is.
Onder het opschrift ter rechterzijde ziet men symbolische ornamenten,
waarvan de beteekenis niet te raden is; onder het opschrift ter
linkerzijde bespeurt men--althans met eenigen goeden wil--eene tweede
monsterachtige figuur, die geacht kan worden een mensch te verbeelden,
op een soort van trapje gezeten. Maar de voornaamste figuur, hoewel
zij de minste plaats inneemt, is onzes inziens het menschenhoofd
boven de hoofdfiguur aangebracht, en dat ongetwijfeld de zon moet
voorstellen. De zoogenoemde vlammen, die te midden van allerlei andere,
onbegrijpelijke, barbaarsche ornamenten, aan beide zijden van dezen
monsterachtigen kop zijn aangebracht, laten daaromtrent geen twijfel
over; wij mogen dus als zeker aannemen, dat dit bas-relief eenmaal
in een aan de zon gewijden tempel was geplaatst.
Wij allen weten dat de zonnedienst algemeen heerschte bij alle
amerikaansche natien; het is dus niet vreemd, dat wij dienzelfden
cultus ook te Tikal vinden. De tempels, de pyramiden, de opschriften,
de zinnebeelden en figuren dragen echter een bijzonder lokaal karakter,
dat herinnert aan de godsdienstige monumenten der hooge bergplateaux
en ons het recht geeft, ook hier van den invloed der tolteeksche
beschaving te spreken.
Uit alles wat wij gezien en gezegd hebben, volgt dat ook Tikal
eene stad was, behoorende tot die tolteeksche beschaving, waarvan
wij den gang en de ontwikkeling hebben gevolgd van Comalcalco tot
Palenque en Ocosingo, die den loop der rivieren opwaarts volgende,
de stad Lorillard heeft gesticht en vervolgens Tikal bereikt, om zich
later eenerzijds in Yucatan uit te breiden, waar zij eene vroegere
tolteeksche nederzetting ontmoet, en anderzijds in het noorden
van Guatemala door te dringen, waar zij Coban, Copan en Quiriga
zal stichten.
Tikal, verder van het punt van uitgang verwijderd, is natuurlijk
jonger dan de steden die wij reeds beschreven hebben, maar zij
vertegenwoordigt ons een der belangrijkste tijdperken van deze
zoo zeer eigenaardige beschaving, die toch altijd halverwege in de
barbaarschheid bleef steken. Van daar drong de meer beschaafde stam
in het noorden van het schiereiland door: wij vinden daarvoor niet
slechts de materieele bewijzen in de steden langs den gevolgden weg,
zooals bij voorbeeld de stad Nohbecan, die Martin Usua op zijn marsch
naar Tayasal ontdekte, maar wij mogen ons ook beroepen op de getuigenis
der historie.
Herrera verhaalt, dat in den tijd toen de opperhoofden van de eerste
tolteeksche immigratie, die der Cocomes, regeerden, het land werd
overweldigd door lieden uit het land der Lacandons, Chiapas enz.;
deze indringers zwierven gedurende veertig jaren door de woestijnen
van Yucatan en kwamen tot op tien mijlen afstands van Mayapan, te
midden der heuvelen van Uxmal, waar zij prachtige gebouwen oprichtten.
Deze indringers werden aangevoerd door opperhoofden, Tutulxius genoemd;
zij waren zoo vreedzaam van natuur dat zij geen wapenen hadden en de
dieren op de jacht met lasso's vingen of vallen uitzetten.
Volgens Landa verhaalden de Indianen dat van den kant van het zuiden
talrijke stammen met hunne opperhoofden in Yucatan waren gedrongen;
naar het schijnt waren die immigranten uit Chiapa afkomstig, hoewel de
Indianen dat niet met zekerheid konden zeggen, maar Landa vermoedt het
ook op taalkundige gronden; deze stammen zwierven gedurende veertig
jaren in de woestijn en kwamen in de sierra op tien mijlen afstand
van Mayapan.
Reeds bij ons bezoek te Palenque werden wij getroffen door het
bij uitstek vreedzaam en godsdienstig karakter der beeldwerken,
waarop wij nooit iets hebben gevonden dat aan den oorlog of aan
wapenfeiten herinnert. Na de bijna geheele uitroeiing van hun ras,
hebben de naar elders verhuizende Tolteken de rol van veroveraars,
die zij niet langer konden volhouden, laten varen, en er zich meer op
toegelegd om de barbaarsche stammen, die zij op hun weg ontmoetten,
te bekeeren en te beschaven. Zij traden meer op als zendelingen en
predikers en wonnen op die wijze de inlanders voor zich, even als
de Boeddhisten op Java deden, waar zij de taal hunner bekeerlingen
overnamen en prachtige tempels ter eere van Boeddha stichtten. Zoo
namen ook de Tolteken de taal over van de landen, die zij beschaafden,
en bouwden ook tempels en paleizen, die echter de vergelijking met
de javaansche monumenten niet kunnen doorstaan.
Uit dit alles blijkt dus overtuigend dat de tolteeksche stammen uit
het zuiden in Yucatan zijn gekomen. Wij hadden dus recht te beweren,
dat de gewone verklaring van het verlaten van Chichen-Itza door
hare inwoners, omstreeks het jaar 1440, niet aannemelijk was; wat
ook verder tot dien uittocht aanleiding moge gegeven hebben, zeker
moet de hoofdreden gezocht worden in de nog levende herinnering aan
de door hunne voorvaderen gestichte kolonien in het zuiden van het
schiereiland. Tikal moet het middelpunt van die nederzettingen zijn
geweest; Tikal bestond misschien toen nog; de caciquen van Chichen
hadden ongetwijfeld betrekkingen met die stad onderhouden, en toen
zij den weg insloegen naar deze stad, de bakermat van hunne familie,
handelden zij geheel in den geest der traditie.
XII
Als wij geloof mogen hechten aan het verhaal, dat de pastoor van
Santa-Cruz del Quiche aan Stephens deed, dan bestond er te Coban eens
groote stad, die hij bezocht had en waarvan hij met groote verbazing
gewaagde. Nooit heeft iemand ons over deze stad gesproken, die tot
dusver aan de nasporingen der reizigers is ontsnapt; maar het is
zeer waarschijnlijk dat Coban eene nederzetting was van dien tak der
Tolteken, die Tikal stichtte en die zich van daar naar het oosten
richtte, waar hij achtervolgens Copan en Quiriga, in de provincie
Chiquimula, grondvestte.
Copan was ten tijde van de verovering nog eene bloeiende stad, evenals
Utatlan, Itatlan, Xelahu, Patinamit en andere steden in Guatemala, door
Alvaredo verwoest. Hernandez de Chaves, een zijner onderbevelhebbers,
kreeg in last zich van Copan meester te maken. Dit geschiedde in
1530. Volgens Juarros, wiens zegsman Francisco de Fuentes de stad
bezocht, was de groote circus van Copan in 1700 nog ongeschonden
in wezen.
De zonderlingste en merkwaardigste monumenten van Copan zijn de uit
een steenblok gehouwen afgodsbeelden, die wij ook reeds, zij het ook
minder afgewerkt, te Tikal hebben aangetroffen. Wij vinden te Copan
dezelfde inscripties, dezelfde bas-reliefs en dezelfde godheden,
als in de steden die wij reeds vroeger bezochten; Copan is echter
de jongste van deze steden, daar zij het verst van het uitgangspunt
der immigranten verwijderd was. Ondanks zijn niet licht te misleiden
gezond verstand en zijne buitengewone helderheid van inzicht, heeft
Stephens toch de monumenten van Copan niet begrepen. Trouwens, Copan
was de eerste stad die hij bezocht; hij dacht hier de werken voor zich
te hebben eener geheel oorspronkelijke beschaving, die hij met geene
andere in verband wist te brengen. Zonder het te weten, begon hij bij
het einde en vermoedde niet dat hij de laatste monumenten eener oude
beschaving voor zich had. Later, beter ingelicht, oordeelde hij anders
en bracht zijn helder inzicht hem van zelf op het spoor der waarheid.
Stephens geeft ons in de eerste plaats de afbeelding van een te Copan
gevonden menschenhoofd, waarin hij een koning meent te herkennen. Bij
nadere beschouwing van dien gebaarden kop, die in eene reusachtige
draken- of slangenmuil is gevat, herkennen wij daarin het beeld van den
god Quetzalcoatl; de type is een weinig veranderd, maar de kenmerkende
attributen ontbreken ook hier niet. Hij draagt een hoofddeksel
van dooreengevlochten slangen, of misschien een soort van tulband,
dien wij op andere monumenten in Guatemala zullen wedervinden. Wij
bezitten geene nauwkeurige beschrijving van de monumenten van Copan,
en te oordeelen naar hetgeen Stephens zegt, schijnt het dat zij
verschillen van die, welke wij bestudeerd hebben. De inrichting
der stad zou ons doen denken aan die der mexikaansche steden,
evenals bij de andere hoofdsteden in Guatemala, omdat die steden,
evenals in Mexico, op bergplateaux gebouwd, een ander voorkomen
hadden dan de steden in de heete vlakte, Comalcalco, Palenque,
Chichen. Uxmal en anderen. De tak van den tolteekschen stam, die
zich langs den Stillen-Oceaan gevestigd had, had de traditien van het
gemeenschappelijke vaderland, van Anahuac, behouden en volgde zoowel
in levenswijze, als bij den bouw van tempels, paleizen en huizen,
de oude gewoonten: een natuurlijk gevolg van de overeenkomst tusschen
de vroegere en latere omgeving. De andere hoofdtak, die in een andere
natuur en andere omgeving was gekomen, moest zich, ook wat de bouworde
aangaat, daarnaar voegen en alzoo in meerdere of mindere mate van den
voorvaderlijken type afwijken. Te Copan ontmoetten de beide takken
elkander weder, en de bouwstijl onderging eene verandering door het
opnemen van verschillende elementen.
Wij hebben reeds vroeger, bij ons bezoek te Kabah, gesproken van de
overdrijving en overlading in de ornamentiek, die het kenmerk is der
perioden van kunstverval: een verschijnsel, dat zich bijna bij alle
volken heeft voorgedaan. Bijna overal zien wij de in den aanvang zoo
strenge en sobere monumenten, zeer schaars met ornamenten versierd,
langzamerhand al rijker en weelderiger worden; de architektonische
lijnen treden op den achtergrond voor het ornament, dat al meer
en meer voortwoekert en eindelijk tot overlading, gemaaktheid en
wansmaak voert. De gothiek levert ons daarvan een sprekend voorbeeld,
en de arabische kunst in Spanje niet minder.
De Tolteken van Copan getuigen ook op hunne beurt van de waarheid dezer
opmerking; en men behoeft inderdaad geen archeoloog te zijn, om bij
het aanschouwen van deze monumenten te verklaren dat zij niet tot de
eerste, maar veelmeer tot de laatste periode eener kunstontwikkeling
behooren. De bewerkers van de monolithen, waarvan wij boven reeds
spraken, hebben hier alle ornamenten en alle architektonische
motieven bijeengebracht, die hunne voorgangers bij hunne paleizen,
hunne tempels hunne bas-reliefs en hunne godenbeelden hadden aangewend.
En niet alleen vermenigvuldigen zij de motieven en ornamenten,
zij stellen zelfs in een beeld verschillende goden voor: getuige
het beeld, waarvan wij de afbeelding en face geven en waarin men
gemakkelijk vier onderscheidene goden herkent. De groote middenfiguur,
die uit een drakenmuil te voorschijn komt, herinnert ons aanstonds
aan Quetzalcoatl, maar het is het hoofd eener vrouw, wier kostuum
ons de attributen te aanschouwen geeft van een Tlaloc van Palenque,
met zijne menschenhoofden als gordel versiersels; deze koppen zijn
hier geplaatst boven een krans of slinger van maishalmen, die een der
attributen is zoowel van Chalciutlicue, de echtgenoote van Tlaloc,
als van Centeotl, de mexikaansche Ceres, de godin van den oogst. Dit
beeld zou dus tegelijkertijd Quetzalcoatl, Tlalco, Chalciutlicue
en Centeotl moeten voorstellen. Wij weten reeds, dat men te Mexico
de drie eersten meermalen vereenigd afbeeldde en dat hun feest op
denzelfden dag werd gevierd.
Laat ons nu een blik werpen op het zoo merkwaardige altaar, waarmede
wij door Stephens bekend zijn geworden. Dat altaar, waarvan wij op
bladz. 308 de afbeelding geven, is zes voet lang en vier voet hoog; het
bovenste gedeelte is verdeeld in zes-en-dertig vakken met hieroglyfen.
Aan elke zijde van het altaar zien wij vier personen, die met
gevouwen beenen, naar oosterschen trant, op kussens zitten; het
profiel is minder schuin dan bij andere beeldwerken, waarschijnlijk
uit vroegeren tijd; het hoofddeksel is een soort van tulband, zoo
als in Guatemala gebruikelijk was. Deze typen zijn nieuw voor ons,
maar wij vinden ze nevens ons reeds bekende typen: een verschijnsel,
dat zijne verklaring vindt in het feit, dat de twee takken van het
tolteeksche ras, na eene lange scheiding van misschien twee eeuwen,
elkander hier weder voor het eerst ontmoetten en in zekere mate
samensmolten. Dit zonderlinge monument is als het ware de uitdrukking
van die vermenging: het is guatemalto-tolteeksch door de figuren en
zuiver tolteeksch door de symbolische teekens, die hetzij op iedere
figuur, hetzij op de kleeding, hetzij op het kussen aangebracht,
ons den naam en de hoedanigheid van iederen persoon mededeelen. Dat
herinnert aan de bas-reliefs van Chichen; maar het altaar is vooral
tolteeksch door zijne opschriften, waarvan de letterteekens bijna
geheel dezelfden zijn als die der inscripties van Lorillard. De
kunst van Copan draagt zoo geheel een tolteeksch karakter, dat Diego
Grarcia Palacio, in een brief aan den koning van Spanje, Filips II,
in 1574 geschreven, verhaalt dat hij de monumenten van Copan als
bouwvallen aantrof, maar dat zij hem toeschenen ver verheven te zijn
boven gebouwen van gelijksoortigen aard, die door de inwoners dezer
streken waren gesticht.
"De onder de Indianen aangenomen overlevering, zoo zegt hij, schrijft
de stichting dezer monumenten toe aan emigranten uit Yucatan"; en
Palacio is mede van die meening, daartoe gebracht door de overeenkomst
in stijl tusschen deze monumenten en die welke men in Yucatan en
Tabasco aantreft.
Wij zien dus te Copan de laatste voortbrengselen van eene oude kunst
en hare vermenging met eene andere, niet minder oude kunst. Misschien
zou deze samenvloeiing tot hooger ontwikkeling hebben geleid en zou
de amerikaansche beschaving en de amerikaansche kunst, aan haar
eigen historische ontvouwing overgelaten, zich gaandeweg aan de
windselen der barbaarschheid, waarin zij nog gevangen lag, hebben
ontworteld. Maar de ontdekkingstocht van Columbus en de verschijning
der Spanjaarden maakten aan die ontwikkeling een einde en vernietigden
de oorspronkelijke beschaving van het indiaansche ras, om er iets voor
in de plaats te stellen dat nooit meer was en is dan eene karikatuur
der europeesche beschaving.
XIII
Van Copan naar Oaxaca is een lange reis, waarvoor wij twee maanden
noodig hebben. De beschikbare ruimte ontbreekt ons, om dezen langen
en vermoeienden tocht, dwars over de groote keten der Cordillera,
in bijzonderheden te beschrijven. De weg voerde ons meermalen door
wonderschoone indrukwekkende wouden, door prachtige landschappen, maar
hij was vermoeiend in de hoogste mate: nu eens gingen wij, zwoegend
en hijgend, te voet, dan reden wij te paard, somwijlen zelfs moesten
wij door menschen gedragen worden; zonder de vriendelijke hulp van de
pastoors in het gebergte, zou het ons moeite genoeg gekost hebben, de
plaats onzer bestemming te bereiken. Eindelijk, eindelijk bereikten
wij de vallei van Oaxaca en kwamen in de stad van denzelfden naam:
menschen en beesten waren ter dood vermoeid en uitgeput.
Om naar Mitla te gaan, keeren wij op onze schreden terug en begeven ons
naar Santa-Lucia, beroemd om zijne hanengevechten. Twee mijlen verder
ligt, verscholen onder het dichte lommer van goyaven, cherimoias en
granaatboomen, het aardige, bevallige dorp Santa-Maria del Tule. De
reusachtige boom, Sabino genaamd, die het pleintje van eene kleine
kapel overschaduwt, is door de gansche republiek bekend; van verre
gezien, gelijkt de omvangrijke kruin een klein bosch; van nabij wekt
de oude boom onwederstaanbaar onze bewondering door zijn geweldigen
omvang en zijne onuitputtelijke levenskracht.
Op het dikste punt heeft de stam een omtrek van veertien schreden of
ongeveer dertien el; tot op twintig voeten boven den grond behoudt
hij bijna dezelfde afmeting. Daar splitst zich de reusachtige stam,
en zijne machtige takken, in omvang gelijk aan honderdjarige eiken,
verspreiden tot op honderd voeten afstands hunne verkwikkende
schaduw. Hij is niet zoo hoog, als zijn geweldige omvang eigenlijk
zou vorderen: ik reken dat hij niet hooger is dan negentig voet.
De Indianen bewaken den eerwaardigen boom met angstvallige zorg,
opdat geen profane hand hem schende. Zij koesteren jegens den Sabino
eene bijgeloovige vereering; niemand mag hem bezoeken dan onder
hun geleide; elken dag reinigen zij den grond rondom den voet des
booms; en zij zouden nooit toelaten, dat iemand een takje of twijgje
afbrak. Sommige reizigers verklaren dit wonder van het plantenrijk
door de vereeniging van drie verschillende stammen, die saamgegroeid
zouden zijn. Wij hebben den boom nauwkeurig onderzocht, en niets dan
een enkelen stam kunnen ontdekken, die, naar het zich laat aanzien,
nog eeuwen kan leven.
Naar het oosten versmalt zich de vallei: de weg loopt door Tlacolula,
en voert langs de heuvelen, aan wier voet ge in de steengroeven
nog blokken ziet, door de oude bouwmeesters van Mitla ten deele
bewerkt. Rechts afslaande, zouden wij te San-Dionysio komen, het
laatste dorp der vlakte; maar wij slaan links af, waar in eene
bijna onbebouwde vallei, door naakte bergen omgeven, de ruinen der
paleizen van Mitla onze aandacht vragen. Er waait hier onophoudelijk
een sterke wind, die alles doet uitdrogen; er groeit hier bijna niets
dan de zoogenaamde _pitayoles_, die dichte hagen vormen en waarvan
de vrucht zeer lekker smaakt, ongeveer als de aardbei.
De ruinen van Mitla, die ten tijde van de verovering eene aanzienlijke
ruimte besloegen, bestaan nu slechts uit overblijfselen van zes
paleizen en drie pyramiden. De pastorie is het eerste gebouw
ten noorden, op de helling van den heuvel. Het is eene ordelooze
samenvoeging van binnenplaatsen en gebouwen, waarvan sommige wanden
met mozaieken in relief zijn versierd. Onder de uitspringende lijsten
vindt men sporen van zeer onbeholpen schilderwerk, waarbij zelfs
de eenvoudige rechte lijn niet in acht is genomen: het zijn zeer
ruwe, barbaarsche figuren van goden, benevens lijnen die elkander
kruisen, maar waarvan de beteekenis ons ten eenemale ontgaat. Men
vindt diezelfde uiterst onbeholpen muurschilderingen in elk paleis,
waar zij op eene of andere wijze tegen den invloed van de lucht en
het weder beschut waren.
De kerk van het dorp, die aan dit gebouw grenst, is geheel opgetrokken
met de bouwstoffen van de oude paleizen.
Lager, ter linkerzijde, ziet men eene geknotte pyramide, van
indiaanschen oorsprong, waarop eene moderne kapel is gebouwd. De
pyramide is voorzien van een steenen trap. De Spanjaarden zorgden er
voor, dat er geen spoor meer te vinden is van den tempel, die weleer
op het plat moet hebben gestaan. Het groote paleis, dat nog in zijn
geheel is en waaraan alleen het dak ontbreekt, bestaat uit een groot
laag gebouw, waarvan de voornaamste, naar het zuiden gekeerde gevel
het schoonste en belangrijkste, en tevens het best geconserveerde der
monumenten van Mitla is. Deze gevel heeft eene breedte van veertig
meters; daarachter bevindt zich eene zaal van gelijke breedte,
waarvan de zoldering gedragen werd door zes monolithpijlers van
ongeveer veertien voet hoogte. Drie breede en lage deuren geven
toegang tot deze zaal, waarvan de vloer bedekt was met eene dikke
laag cement. Rechts voert eene donkere smalle gang naar eene eveneens
bepleisterde binnenplaats, waarvan de muren, evenals de voorgevel
van het paleis, met mozaiekpaneelen en figuren in steenen lijsten
zijn versierd. Deze binnenplaats is vierkant; op haar komen vier
lange en smalle kamers uit, die van onder tot boven met mozaieken en
relief zijn bedekt. De posten der deuren zijn geweldige steenblokken,
die een omvang hebben van vijf of zes meter.
Het tweede en het derde paleis hebben zeer sterk geleden. Van het
tweede is alleen de poort met haar gebeeldhouwde post staande gebleven,
benevens twee pijlers in de hal. Van het vierde paleis is vooral
de zuidelijke gevel zeer goed bewaard gebleven. Maar zuidwestwaarts
bevinden zich nog vier andere paleizen, die half gesloopt en onder
den grond begraven zijn, waarboven de muren nog slechts ter hoogte
van drie of vier voet uitsteken. De Indianen hebben tusschen deze
ruinen en op de binnenplaatsen hunne woningen gevestigd.
De bouwmaterialen van deze monumenten zijn zeer eenvoudig: zij zijn
opgetrokken uit aarde, met groote keien vermengd en met eene soort
van steenen tegels bekleed. Onder de ruinen strekken zich kelders
uit; zij werden reeds eenmaal geopend, maar de vijandige houding der
Indianen noodzaakte den toegang weder te sluiten, eer men de kelders
had kunnen onderzoeken en zien wat zij bevatten.
Wij weten niet met juistheid uit welken tijd de monumenten van Mitla
dagteekenen, maar zij kunnen kwalijk ouder zijn dan die, waarvan
wij reeds gesproken hebben. Hun ondergang dagteekent echter reeds
van vroeger tijd: Orozco y Berra verzekert dat zij verwoest werden
door Ahuizotl, dat is dus tusschen de jaren 1490 en 1500; overigens
valt de verwantschap tusschen deze gebouwen en de tolteeksche of
mexikaansche monumenten niet te miskennen. Mitla was eene beroemde
heilige plaats en de begraafplaats der koningen van Teotzapotlan. Toen
de gebouwen nog ongeschonden waren, bevatten zij vier gebeeldhouwde
kompartimenten boven den grond, waarmede vier andere lokalen onder
den grond overeen kwamen.
Een der eerstgenoemde vertrekken was bestemd voor de woning van
den opperpriester; een ander voor de huisvesting der priesters; het
derde vertrek was voor den koning, als hij te Mitla kwam; het vierde
eindelijk voor de heeren, die het heiligdom bezochten. De woning
van den opperpriester was rijker versierd dan de andere vertrekken,
want zij bevatte een troonzetel met een kussen en een rugleuning,
beiden met tijgervel bekleed. De dekoratie der andere kamers bestond
uit fijne beschilderde matten, gelooide huiden en stoffen om zich
gedurende den slaap te dekken.
Van de onderaardsche kamers diende het middelste als heiligdom; de
afgodsbeelden waren op eene groote zerk geplaatst, die het altaar
verving; het tweede was de begraafplaats der opperpriesters; in het
derde werden de koningen begraven. Het vierde, dat naar men zegt
zeer groot was, werd gedragen door rijen pijlers, even als de groote
zaal boven den grond; de toegang tot dit vertrek werd met eene groote
zerk gesloten. Daar, in dezen ruimen kelder, wierp men de lijken der
slachtoffers en der in den oorlog gevallen krijgsbevelhebbers. Sommige
vrome boetelingen vroegen, als eene gunst, vergunning om op deze
heilige plaats te mogen sterven; was dit verzoek toegestaan, dan
geleidden de priesters deze vrijwillige slachtoffers naar den ingang
van den kelder, wentelden de zerk af, zeiden den martelaars vaarwel en
sloten den ingang weder, zoodat de ongelukkigen levend begraven werden.
De opperpriester, die den titel voerde van Huiyatoo (de groote
schildwacht, hij die alles ziet), was met onbeperkte macht bekleed
en stond boven den koning, die hem vreesde en eerbiedigde; de lieden
uit het volk konden zijn aangezicht niet aanschouwen, zonder hunne
vermetelheid met den dood te bekoopen. Als eenige middelaar tusschen
de goden en de menschen, was hij ook de eenige uitdeeler van gaven
en voorrechten: iets als de groote lama in onzen tijd.
Burgoa, aan wien wij deze bijzonderheden ontleenen, schijnt de ruinen
van Mitla niet bezocht te hebben: althans hij spreekt in zijne
beschrijving slechts van een paleis, terwijl er in zijn tijd nog
acht bestonden. Maar zeker is het te verwonderen, dat de mexikaansche
regeering, in het bezit van zoo uitvoerige en nauwkeurige gegevens,
geene opgravingen heeft laten doen in de paleizen van Mitla. Men zou
daar eene onuitputtelijke mijn kunnen vinden van de belangrijkste
zaken: afgodsbeelden, sieraden, aardewerk en wat niet meer. Men
bedenke slechts dat daar de koningen begraven werden, bekleed met hunne
prachtigste kleederen, het lichaam versierd met vederen, halskettingen
van goud en edelgesteenten en andere sieraden; in de linkerhand hielden
zij hun schild, in de rechter hun staf. Misschien zelfs zou men er
handschriften vinden, die tegenwoordig zoo uiterst zeldzaam zijn.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 | 9 |
10