Review: Gritty debut novel 'Nowhere' follows a teen runaway to some very real places
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Clenched fists and AK-47s
Ad -

Decoding the Heavens: Solving the Mystery of the World's First Computer by Jo Marchant review
It may sound like faint praise to say that Nami Mun writes with strong verbs, but given the overwrought, undercooked prose of the 'literary' novels that all too often emerge from today's creative writing programs, a simple, inventive verb choice is a

A / B / C / D / E / F / G / H / I / J / K / L / M / N / O / P / R / S / T / U / V / W / Y / Z

Reis naar Yucatan written by Desire Charnay

D >> Desire Charnay >> Reis naar Yucatan

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10



"Maak u niet ongerust over mijne tegenwoordigheid: een bloot toeval
heeft mij eer dan u naar deze ruinen geleid; het omgekeerde had
evengoed kunnen gebeuren; ik ben geen mededinger, en gij hebt niets te
vreezen. Ik reis eenvoudig voor mijn pleizier; gij zijt een geleerde,
en de stad komt u toe; geef haar een naam; onderzoek, maak teekeningen
en kopieen, zoo veel ge wilt; gij zijt hier te huis. Ik ben niet van
plan, iets te schrijven of uit te geven; maak des noods geene melding
van mij, en behoud uwe ontdekking geheel voor u zelven. En laat mij u
nu tot gids mogen verstrekken; ik heb een paleis laten gereed maken,
en uwe woning wacht u."

Deze kieschheid trof mij zeer; maar ik mocht het voorstel van mijn
nieuwen vriend niet aannemen: aan ons beiden komt de eer toe der
ontdekking van deze nieuwe stad, waar wij te zamen hebben gearbeid,
en waaraan ik den naam heb gegeven van Lorillard, ter eere van
den edelmoedigen man, die voor een deel de kosten mijner expeditie
wilde dragen. De stad ligt op den linkeroever van de Usumacinta,
in een soort van neutraal terrein tusschen Guatemala en de twee
mexikaansche provincien Chiapas en Tabasco. Zij werd voor omstreeks
twaalf jaren ontdekt door een zekeren Suarez en sedert bij herhaling
door de monteros bezocht.

Het is zeer moeilijk, zich rekenschap te geven van den juisten omvang
der stad en van het aantal gebouwen; de bodem is zoo dicht begroeid,
dat een nauwkeurig onderzoek onmogelijk is, althans met de gebrekkige
middelen, waarover men ter plaatse beschikken kan. Maar voor zoo ver
men naar vergelijking mag oordeelen, moet de stad Lorillard, als alle
indiaansche steden, waarvan wij reeds gesproken hebben, hebben bestaan
uit een vijftien- of twintigtal verschillende monumenten, tempels en
paleizen, woningen van den cacique en de voornaamste hoofden, omgeven
door de hutten van de lieden uit de volksklasse en de slaven. Deze
monumenten verrijzen op terrassen, ongeveer twintig ellen van de
rivier verwijderd, en verheffen zich vervolgens, amphitheatersgewijze,
op natuurlijke heuvelen, die de bouwmeesters benuttigd hebben, en die
zij in esplanaden hebben verdeeld, welke door muren worden gesteund
en van trappen zijn voorzien.

De schikking is geheel dezelfde als te Palenque; de tempels en paleizen
zijn minder talrijk en minder aanzienlijk; zij zijn ook ruwer bewerkt,
schoon men over dit laatste misschien niet juist kan oordeelen,
omdat de geheele uitwendige dekoratie, die uit cement bestond, is
verdwenen.--Het eerste monument dat wij bestudeeren is een tempel,
die op eene pyramide van ongeveer honderd-twintig voet hoogte is
gebouwd. Ik noem dit gebouw een tempel, omdat het een groot steenen
afgodsbeeld bevat, benevens verscheidene nissen, waarin kleinere
beelden moeten gestaan hebben, want de wanden zijn zwart van den rook
der offeranden.

Het hoofd van het beeld is van den romp gescheiden en het gelaat is
deerlijk geschonden, maar toch behoort het beeld tot het schoonste,
wat wij tot dusver in Tabasco en Yucatan gezien hebben. Het stelt
een mannelijk wezen voor, zittende op oostersche wijze, met de beenen
onder het lijf gevouwen en de handen rustende op de knieen; de kalme,
waardige houding doet u onwillekeurig aan Boeddha denken. Op het hoofd
draagt het beeld een reusachtig, monsterachtig kapsel, dat de gansche
figuur verplettert. De kleeding is rijk versierd met kralen en parelen
en drie groote medaillons, twee op de schouders en een op de borst.

Rondom het beeld en in ieder vertrek van den tempel vindt men eene
menigte vazen van grof aardewerk en in vorm meest overeenkomende met
ondiepe kommen; de randen zijn met gedrochtelijke menschenhoofden
versierd. Deze vazen werden gebruikt voor het ontsteken van reukwerk;
wij vinden ze terug in alle gebouwen die voor de eeredienst bestemd
schijnen geweest te zijn.

Achter dien tempel en op eene veel hoogere pyramide, vindt men het
belangrijkste monument van de stad Lorillard. Op eene ruime esplanade
stonden daar, in een rechthoek, zes paleizen, waarvan er nog maar
een gedeeltelijk in wezen is. De andere gebouwen zijn niet meer dan
vormelooze puinhoopen. Dit paleis was misschien de woning van den vorst
of eene soort van vesting; in ieder geval was het prachtig gelegen. Van
het terras of de esplanade had men een heerlijk uitzicht; en op nieuw
bewonderde ik den praktischen zin van deze bouwmeesters. De pyramiden,
waarop zij hunne paleizen plaatsten, waren eene werkelijke behoefte in
dit heete en ongezonde land: deze manier van bouwen bezorgde frissche
lucht en was tevens eene verdediging tegen de muskieten en andere
insekten; en bovendien, welk een prachtig panorama ontplooide zich
voor de oogen, bij morgen en avond, over de omringende heuvelen, over
de rivier, over de tuinen en plantages aan de overzijde, en aan den
anderen kant, naar het zuiden, over de wijde vlakte, aan den horizon
begrensd door de schemerende lijnen van de Cordillera.

Het paleis, dat wij bewonen, ligt lager en dichter bij de rivier. Het
was meer vervallen en geschonden dan de tempel en droeg sporen
van dezelfde versiering; maar de constructie scheen slordiger. De
deuren zijn van verschillende afmetingen, en de posten zijn nu eens,
zonder schijnbare reden, recht, dan weer scheef geplaatst; ook is de
verdeeling der openingen en der nissen zeer onregelmatig. Van binnen
is dit paleis een ware doolhof van smalle gangen en kleine vertrekken;
in het achterste gedeelte, in een donker souterrain, waarheen een
sterk glooiende gang afdaalt, bevinden zich twee smalle zalen, die
tot aan de zoldering met steen en gruis gevuld zijn; naar ik vermoed,
zijn dit graven. Althans te Palenque vond ik in dergelijke vertrekken,
geraamten en vazen. Het gebouw is twintig ellen breed en zestien diep.

Ik heb reeds vroeger gesproken over de gebeeldhouwde deurposten,
in steen of in hout, die ik in de meeste steden van Yucatan, onder
andere ook te Chichen, heb aangetroffen; maar de schoonsten vond
ik te Lorillard. Mijne lezers mogen zich daarvan overtuigen door de
afbeeldingen van twee dezer kleine monumenten op bladz. 157 en 160.

Het kleinste maakt deel uit van den bovendrempel van de middelste
poort des tempels; het paneel heeft een lengte van een el twaalf duim
bij eene breedte van twee-en-tachtig duim. In het midden zien wij
twee figuren, beiden het hoofd gedekt met hooge myters met vederen
versierd; evenals bij het afgodsbeeld, waarvan ik hierboven sprak,
zijn hunne schouderen bekleed met een korten mantel met paarlen
en medaillons en lange franjes getooid; een rijk versierde maxtli
omgordt hunne heupen en hunne voeten zijn in laarzen gestoken,
met lederen riemen bezet.--Deze twee figuren, van verschillende
grootte, schijnen een man en eene vrouw te moeten voorstellen; uit
hunne houding zou men moeten opmaken, dat zij eene godsdienstige
handeling verrichten. De grootste heeft in iedere hand een kruis,
de kleinste alleen in de rechterhand. Het zijn gewone, zoogenaamde
latijnsche kruisen, waarvan de armen met bloemen zijn versierd en die
van boven zijn gekroond met een symbolieken vogel. Ik meen in deze
voorstelling den god Tlaloc te herkennen, den god van den regen en
de vruchtbaarheid, wiens symbool een kruis was; te Palenque vinden
wij dien god op dezelfde wijze voorgesteld.

Het tweede bas-relief (bladz. 157) is buiten kijf het merkwaardigste
monument, dat wij in Amerika hebben aangetroffen, en dat inderdaad
kunstwaarde heeft. Afgezien van het onmogelijk gelaatsprofiel der beide
figuren--dat trouwens zuiver conventioneel is--zijn de twee beelden
voortreffelijk van bewerking. De voorstelling draagt een godsdienstig
karakter: wij zijn getuigen van eene offerplechtigheid. Een der
personen, die in knielende houding, ongetwijfeld een priester, heeft
zich een met doornen bezet touw door de tong gestoken. De staande
figuur is evenzeer een priester, die, met een grooten palmtak in
de hand, den martelaar schijnt aan te moedigen. Nu weten wij dat de
Mexikanen zich zelven op de gruwelijkste manier pijnigden; dag en nacht
vergoten zij hun bloed in de tempels, ter eere der goden. Torquemada
deelt ons daaromtrent het volgende mede, sprekende over de martelingen,
die de priesters van Quetzalcoatl zich zelven aandeden:

"Ziehier de martelingen, die de priesters van Camaxtli te Tlascala en
die van Quetzalcoatl te Cholula zich zelven oplegden. De priesters
kwamen bijeen onder het voorzitterschap van den oudste hunner,
_achcantli_ genoemd; en na een vijfdaagsche vasten, met verschillende
boetedoeningen gepaard, sloot men hen op in den voornaamsten tempel van
Camaxtli, waar zij eene menigte stokken met zich namen, zoo lang als
een arm en zoo dik als een vuist ongeveer; dan kwamen timmerlieden,
die vijf dagen gevast en gebeden hadden, om deze stokken, volgens
aanwijzing, tot zeer dunne staafjes te maken, waarna men hun buiten
den tempel te eten gaf; vervolgens kwamen de werklieden, die messen
van obsidiaan moesten maken, en zij vervaardigden een aantal messen,
waarmede de tongen der priesters moesten worden doorboord, en zij
legden die neder op een witten doek.

"Daarna volgden gebeden; en als de oude en de jonge priesters te zaam
gekomen waren en gereed voor de offerande, boorde de bekwaamste onder
de werkmeesters hun met een mes een groot gat in de tong.

"Aanstonds stak nu de voornaamste _achcantli_ in zijne doorboorde tong
meer dan vier- of vijfhonderd van die staafjes, die de timmerlieden
gemaakt hadden; de andere oude priesters deden desgelijks, en diegenen
onder de jongeren, die den meesten moed hadden, volgden hun voorbeeld
na.

"Als deze afschuwelijke operatie volbracht was, trachtte de oudste,
die als hoofd gold, ondanks de duldelooze pijn, te zingen, om de
jongeren aan te moedigen tot het volbrengen der ceremonie."

Ons bas-relief stelt ons dus zulk eene offerande aan Quetzalcoatl
of Cuculcan voor, en de tempel, die met deze beeldwerken prijkte,
was aan dien god gewijd.

Eene bijzonderheid, die de geschiedschrijver aan het slot van hetzelfde
hoofdstuk vermeldt, geeft ons de verdere verklaring van het bas-relief.

"Gedurende dien vastentijd--zegt Torquemada--begaf de voornaamste
_achcantli_ zich naar de steden en de dorpen, om de lieden te vermanen
tot de voorbereiding van het groote offerfeest; en tot teeken droeg
hij in de hand een grooten groenen tak.

Dit is duidelijk genoeg. Daar staat de priester met den palmtak in
de hand, waarvan de bladeren rusten op het symbolische teeken van
den wind, waarmede Quetzalcoatl zoo dikwijls wordt afgebeeld. Wij
vinden dus te Lorillard de eeredienst van Tlaloc en van Quetzalcoatl,
de godheden der Tolteken, ook door de Azteken vereerd, en wier dienst
in de veroverde landen werd ingevoerd.

Ons bezoek aan de stad Lorillard, waarvan de indiaansche naam mij
onbekend is, was hiermede afgeloopen. Niet dan met spijt verliet ik
deze nieuwe stad, waar ik mij gaarne langer had opgehouden, want ik
was er zeker van, dat er nog vele nieuwe en misschien belangrijke
ontdekkingen waren te doen. Anderen, in gunstiger omstandigheden
verkeerende, zullen de aangevangen taak, naar ik vertrouw, voltooien
en ook de monumenten op den rechter oever opsporen, van welker bestaan
ik mij verzekerd houde, maar die ik niet heb kunnen vinden.

Wij gaan weer aan boord, en hebben bijna een ganschen dag noodig,
om stroomopwaarts den afstand af te leggen, dien wij, de rivier
afzakkende, in drie uren hadden afgelegd. De stroom is zoo sterk,
dat somwijlen onze manschappen, die de kano voorttrekken, worden
meegesleept; echter komen wij toch vooruit.

Ik hoopte te Yalchilan de Lacandons te vinden, die men mij had
beloofd; zij waren er echter niet, maar het oude opperhoofd had
iederen dag een bode gezonden om te vernemen of wij reeds waren
teruggekeerd; de geschenken, die ik hem had toegezegd, hadden te
zeer zijne begeerlijkheid opgewekt, dan dat ik vreesde dat hij zijn
woord niet zou houden. Den volgenden morgen verscheen hij ook in het
kamp met zijne twee vrouwen en vier jongelieden. Zij waren allen op
dezelfde wijze gekleed: zij droegen een soort van lang wijd hemd of
tuniek met korte mouwen; dit kleedingstuk van grof katoen is zeer
plooibaar en wordt door de vrouwen geweven. Deze tunieken vertoonden
roode vlekken, die ik eerst voor slijkspatten hield; later bleek mij,
dat zij bij wijze van versiering moesten dienen, en dat de verfstof,
waarmede deze ornamenten worden aangebracht, uit de bezien van een
struik wordt getrokken, waarvan de naam mij onbekend is. Daar zij de
kunst niet verstaan, om het geheele kleedingstuk te verven, maken de
Lacandons er deze roode vlekken op; ik vermoed dat dit een bijzonder
privilege is van het opperhoofd en zijne vrouwen, want de hemden van
de jongelieden vertoonen geen spoor van de versiering.

Mannen en vrouwen dragen om den hals zware kettingen, vervaardigd
van verschillende zaden, tanden van apen en wilde zwijnen, nagels
van vogels en muntstukken. Hunne lange, ongekamde ruwe haren hangen
in wanorde om hun hoofd en hals; de vrouwen steken daar een paar
arendsvederen in. Zoowel aan de hemden als aan de halskettingen
schijnen zij bijzondere waarde te hechten, want al mijne pogingen om
een dezer voorwerpen machtig te worden, waren vruchteloos; daarentegen
waren zij aanstonds bereid, mij hunne pijlen en bogen af te staan.

De Lacandons bedienen zich nog van steenen bijlen, waarmede zij de
boomen omhakken, als zij in het bosch een plek willen bebouwen. Met
de grootste dankbaarheid namen zij evenwel de stalen bijlen, de
sabels en messen aan, die ik hun ten geschenke gaf, benevens zout,
waaraan zij gebrek hebben en dat zij zeer gebrekkig vervangen door
de asch van eene zekere houtsoort.

De Lacandons zijn baardeloos, van middelbare gestalte en welgemaakt;
eene van de vrouwen is zelfs mooi te noemen: maar te oordeelen
naar hunne fletsche kleur en bleeke lippen, schijnen allen aan
bloedarmoede te lijden, hetgeen mede een gevolg kan zijn van hun
leven in de donkere, vochtige bosschen. Zij spreken de oude taal der
Mayas, en leven van de jacht, de vischvangst en het bebouwen hunner
kleine akkers. Hunne hutten zijn zindelijk, en men vindt er altijd
een voorraad van tabak en katoen, van mais en vruchten; zij hebben
geen aardewerk, maar behelpen zich met kalebassen. Hunne voorvaderen
stonden, voor den ondergang van hun volk, op vrij wat hooger trap
van beschaving.


XI


Om van Yachilan naar Peten te gaan, kan de reiziger tusschen twee
wegen kiezen: hij kan de Usumacinta opvaren, die eenige uren verder den
naam aanneemt van rio de la Passion; of wel, dwars door de bosschen,
den zoogenoemden Camino Real (koninklijke heerbaan) volgen, die
feitelijk niet anders is dan een afschuwelijk, onbruikbaar voetpad,
waarvan de Indianen gebruik maken.

Maar nog afgezien van haar sterk verval, maakt de rivier zuidwaarts
een zeer grooten omweg, alvorens zij zich naar Libertad wendt; en hoe
slecht de landweg ook moge zijn, toch is hij altijd minder bezwaarlijk
voor onze manschappen, die zwaar beladen kano's tegen stroom moesten
optrekken; bovendien hebben wij onze muildieren, die op ons wachten,
en die door de dagen van rust, aan den oever der rivier doorgebracht,
nog volstrekt niet op hun streek zijn gekomen. Zij zijn nog even
mager als vroeger, en nog steeds bedekt met afschuwelijke wonden,
die door de reis erger zullen worden. Wij slaan dus het pad in,
dat twee dagreizen verder, op den weg naar Peten uitloopt.

Omstreeks het midden van onze eerste dagreis, ontmoeten wij Pepe Mora,
den onverschrokken montera; hij is zeer vermagerd en ziet er zeer
afgemat uit: de koorts laat hem niet los, maar hij wil zijn post
niet verlaten, voor hij het geheele district heeft onderzocht; hij
denkt zelfs over de stichting van eene kolonie en heeft oranjeappels
en cherimayos gezaaid, waarvan de roode vrucht bijna geen pit heeft;
hij geeft ons eenig zaad van deze zeldzame soort en voegt er een zak
met gerookt wilde zwijnenvleesch bij. Wij bedanken den braven man,
dien wij niet weder zullen zien, en komen omstreeks vier uren aan
onze eerste pleisterplaats.

De kleine rivier die ons tot richtsnoer heeft gediend is niet diep:
zij heeft nauwelijks drie voet water, maar de oevers zijn buitengewoon
steil; de beladen muildieren dalen niet dan met weerzin langs die bijna
loodrechte helling naar beneden, maar eens in het frissche water,
willen zij er niet meer uitkomen. De muilezel die mijne bagage met
mijne aanteekeningen en cliches droeg, deed nog beter: hij ging op de
diepste plek in het riviertje liggen, zoodat alleen zijn kop boven
water uitstak. Ik kon een kreet van schrik niet onderdrukken, want
ik dacht aanvankelijk dat al mijne dokumenten verloren zouden zijn;
gelukkig was dit niet het geval, maar wij moesten een gedeelte van den
nacht gebruiken om bij onze vuren mijne kleederen en mijne photografien
te drogen. Des morgens was het kwaad gelukkig weer hersteld.

Dien eigen avond bereikten wij het gedeelte van het woud, waar wij
een zekeren voorraad levensmiddelen hadden verborgen en een onzer
paarden stervende achtergelaten hadden. De levensmiddelen waren nog in
goeden staat: de apen en andere stroopers hadden onze beschuit en ons
gedroogd vleesch ontzien en de kisten met wijn waren nog ongeschonden;
van het paard konden wij geen spoor ontdekken: het arme dier was
waarschijnlijk dieper in het bosch ingegaan en daar gestorven, of
misschien door de tijgers verscheurd.

Den volgenden morgen sloegen wij den weg in naar Peten, en kwamen
vier dagen later te Sacluc, dat tegenwoordig Libertad wordt genoemd.

Libertad, de zetel van den prefect van Peten, is het laatste bewoonde
vlek van Guatemala, zoo als Tenosique van Tabasco; het draagt geheel
denzelfden stempel als alle spaansch-indiaansche dorpen in de warme
luchtstreek: ook hier hetzelfde ruime, met gras begroeide plein,
dezelfde armoedige kerk en enkele onaanzienlijke woningen in het
rond. Er is te Libertad aan alles gebrek, en de hongersnood schijnt er
permanent; wij zouden van honger zijn omgekomen, zonder de beambten
van de monteria van de heeren Jamet en Sastre van San-Juan Bautista,
die zoo goed waren ons een huisje te verhuren en ons een deel van hun
voorraad wilden afstaan. Trouwens, dat het dorp nog bestaat, heeft
het te danken aan het weinige vertier dat de hakkers van mahoniehout
hier nog aanbrengen.

Van Libertad loopt de weg in noordelijke richting naar Flores, aan het
meer van Peten, dertig kilometers verder. Flores is het oude Tayasal;
het bevallige dorp, zoo schoon gelegen midden in het fraaie meer en
door zijn gordel van bergen omringd, staat op dezelfde plek, waar eens
de stad der Mayas verrees. Want zij was wel degelijk eene maya stad,
waarvan de inwoners, Itzaes genoemd, de afstammelingen waren van die
emigranten, die onder aanvoering van hun Canek, omstreeks 1440, de
stad Chichen-Itza in Yucatan verlieten en van wie wij reeds gesproken
hebben. Daar, in deze heerlijke streek, omringd door krijgshaftige
stammen, die dezelfde taal spraken, vormden de Itzaes op nieuw eene
eigene nationaliteit, van zoo krachtig leven, dat zij tot het einde
der zeventiende eeuw weerstand bood aan den invloed der spaansche
overheerschers. Huizen, paleizen, tempels en pyramiden zijn verdwenen;
maar toch is het ons mogelijk de geschiedenis te reconstrueeren en
op nieuw het betrekkelijk moderne dezer monumenten aan te toonen.

Eerst in 1696 slaagde de gouverneur van Yucatan, Martin Ursua, er in,
zich van de stad meester te maken en dit kleine volk ten onder te
brengen. Maar hij had daarvoor niets minder dan een leger noodig:
opzettelijk voor dit doel werd een weg aangelegd, die in rechte
lijn vam Campeche naar Peten liep. Midden in de bosschen stuitte
de expeditie op eene stad, Nohbecan genoemd, met groote tempels vol
afgoden; en toen de gouverneur aan de oevers van het meer Chaltuna
kwam, was hij even als Cortez gedwongen, vaartuigen te bouwen om de
stad te kunnen belegeren. De bestorming greep plaats op den tweeden
Maart 1696, en nog dienzelfden dag werd Tayasal ingenomen.

Zonderling genoeg, werd de stad in een oogwenk verlaten: al de
bewoners, mannen vrouwen en kinderen, ontsnapten over de lagune,
hetzij met behulp van hun prauwen, hetzij zwemmende; de meesten
verdwenen voor altijd. Martin Ursua had eene wildernis veroverd.

Dit zeer opmerkelijke feit toont ons den onverzoenlijken haat, dien de
Indianen jegens de Spanjaarden koesterden, en verklaart ons tevens,
hoe steden, die tijdens de verovering nog dichtbevolkt waren, op
een gegeven oogenblik eensklaps geheel verlaten zijn. Het is nu ook
duidelijk, dat men zich niet op dit verlaten zijn beroepen kan ten
bewijze van de oudheid dier steden.

De stad Tayasal bevatte in 1696 een-en-twintig tempels, terwijl zij
er in 1618 maar twaalf telde; in den loop der zeventiende eeuw waren
er dus negen nieuwe tempels verrezen, en daaronder de schoonste van
allen, volgens de getuigenis van Villa Gutierre Soto Mayor.

"De groote tempel was met zijn spitsbooggewelf geheel van steen
gebouwd; hij was vierkant met een fraaien peristijl en van fraai
bewerkte steenen; elke zijde had eene breedte van twintig _vares_,
en hij was zeer hoog." Is het niet of men eene beschrijving leest van
het Castillo van Chichen, vierkant als dat van Tayasal, van dezelfde
afmetingen en eveneens met een fraai peristijl.

Wij erkennen dus in Tayasal de dochter van Chichen-Itza; haar
moeder hebben wij te begroeten in Tikal, waarheen wij den lezer
gaan voeren. De voorname reden van de verhuizing der Itzaes naar het
zuiden was ons onbekend: Tikal zal daarover licht verspreiden; wij
waren nog in het onzekere omtrent de richting en den voortgang van
de tolteeksche kolonisatie in Yucatan: Tikal zal met onwederlegbare
bewijzen op onze vragen een antwoord geven; Tikal eindelijk zal een
geheel nieuw probleem oplossen en ons bekend maken met den invoed
der tolteeksche beschaving in de noordelijke steden van Guatemala,
Coban, Copan, Quiriga.

Tikal ligt ongeveer vijf-en-veertig kilometers ten noordoosten van
Flores, aan de zuidelijke grens van het schiereiland Yucatan. Deze stad
werd laatstelijk bezocht door twee wetenschappelijke onderzoekers:
door Bernouilli en door Alfred Maudsley. Bernouilli werd ontijdig
door den dood aan zijn werkkring ontrukt en het verhaal zijner reis
is verloren gegaan, maar gelukkig heeft hij belangrijke en zeer
merkwaardige dokumenten omtrent Tikal nagelaten. Deze dokumenten,
waardoor wij in staat worden gesteld, der stad hare plaats in de
geschiedenis aan te wijzen, bestaan in een twaalftal stukken gesneden
hout, die de reiziger door Indianen van Flores uit de tempels liet
wegnemen. De andere reiziger Alfred Maudsley schijnt van Guatemala
zijne bijzondere studie te hebben gemaakt en heeft zich door zijne
werken bereids een welverdienden naam verworven. De aanteekeningen
en photografieen, die hij van Tikal heeft medegebracht, zijn ons bij
de beschrijving der stad van zeer groote dienst geweest.

De belangrijkste gebouwen zijn de tempels, op hooge pyramiden
gebouwd, die terrasvormig zijn aangelegd. Aan de voorzijde bevindt
zich de groote trap, die naar de poort van den tempel voert;
de tempel zelf staat eenigszins achterwaarts op het plat, en de
achterzijde der pyramide loopt veel steiler af dan de voorzijde en
de beide kanten. Datzelfde merkten wij ook te Lorillard zoowel als
te Palenque op.

De basis van de pyramide heeft een breedte van honderd-vier-en-tachtig
engelsche voeten en eene diepte van honderd-acht-en-zestig; de trap
is acht-en-dertig engelsche voeten breed. Deze trap heeft eene lengte
van honderd-twaalf voet; de gemiddelde hoogte van de pyramide zou
dus negentig voet bedragen; de tempel is een-en-veertig voet breed
en acht-en-twintig voet lang; de hoogte bedraagt ongeveer veertig
voet, met inbegrip van den zoogenaamden dekoratieven muur, die geheel
begroeid is.

Al deze tempels gelijken op elkander; hunne meest kenmerkende
eigenaardigheid is de geweldige dikte der muren, voorts de nissen ter
wederzijde van het voornaamste vertrek en de regelmatige versmalling
van het gebouw naar de achterzijde. Het inwendige van zulk een tempel
bestaat uit twee of drie smalle, evenwijdig loopende gangen, die
door middel van breede openingen gemeenschap hebben met een zaal of
dwarsgang aan de voorzijde. De houten posten dier poorten of openingen
zijn rijk gebeeldhouwd. In de tempels zijn de muren hooger dan in de
paleizen, en vormt het zoogenoemde gewelf, dat eveneens hooger is,
een scherper hoek. Blijkbaar was deze constructie noodig ter wille
van den geweldigen dekoratieven muur, die het gebouw in figuurlijken
zin verplettert, en het ook in letterlijken zin zou gedaan hebben,
als de bouwmeester daartegen niet de noodige voorzorgen had genomen
door de dikte der muren, de verlenging van het gewelf en de weinige
breedte der gangen of kamers.

Maudsley zegt, dat hij in die tempels geen enkel afgodsbeeld noch
eenig ander voorwerp van vereering vond; maar hierin vergist hij
zich. Indien hij toen reeds Lorillard had bezocht en Palenque gekend,
zou hij begrepen hebben dat al het snijwerk in hout eene godsdienstige
beteekenis had, dat deze voorstellingen de plaats der afgodsbeelden
bekleedden en rechtstreeks in verband stonden met de eeredienst.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10
Copyright (c) 2007. topknownstories.com. All rights reserved.