Reis naar Yucatan written by Desire Charnay
D >>
Desire Charnay >> Reis naar Yucatan
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 | 7 |
8 |
9 |
10
De geschiedenis van een blok mahoniehout is merkwaardig genoeg:
ik zal mij de vrijheid veroorloven, ze aan mijn lezer te vertellen.
Niet iedereen kan zulk eene exploitatie op touw zetten; daartoe behoort
een aanzienlijk kapitaal en eene volledige kennis van de plaatselijke
gesteldheid, benevens de geschiktheid om met de menschen, met wie
men in aanraking komt, om te gaan. Meer dan een, verlokt door het
vooruitzicht der buitensporige winst, heeft zich, door gebrek aan
kennis en ondervinding, geruineerd.
Het mahoniehout zelf kost niets; de boomen staan daar in dichte
gelederen, recht als dennen, hoog en prachtig; de staat legt u slechts
eene zeer geringe belasting op van vijf francs per stuk. Gij hebt ze
voor het nemen: maar juist daar ligt de moeilijkheid. Vooreerst moet
een plek opgespoord worden, waar mahonieboomen in menigte te vinden
zijn. De handelaar heeft daarvoor speciale agenten, _monteros_
genoemd. De montero is een ondernemend, moedig, energiek man,
gewend aan het wilde leven in de bosschen en bestand tegen alle
vermoeienissen; hij begeeft zich op weg, gevolgd door twee Indianen
en een muilezel, die de mondbehoeften draagt; hij neemt zijn revolver
en zijn geweer mede, niet zoo zeer als veiligheidsmaatregel, maar om
te kunnen jagen, want als de levensmiddelen zijn opgeteerd, moet hij
op die wijze in het onderhoud van drie menschen voorzien. Hij verlaat
de bekende paden, en trekt het oerwoud in, waar hij zich met behulp
van zijn sabel, een smallen doortocht moet banen, die zich achter
hem aanstonds weer sluit; somwijlen blijft hij twee of drie maanden
lang in deze onbekende wildernis, telken avond een hut van takken en
bladeren bouwende, als schuilplaats tegen de tropische stortregens,
vechtende tegen de wilde dieren, dagen achtereen rondzwervende
door moerassige streken, waar de vochtige grond verpestende dampen
uitwasemt, bezwangerd met koortsmiasmen. Steeds zoekt hij overal
naar het kostbare hout; hij telt de boomen, hij merkt ze, en geeft,
als hij terug keert, aan zijn chef het juiste getal op.
Hij heeft nu de lokaliteit bestudeerd, heeft zich rekenschap gegeven
van de bezwaren, aan de exploitatie verbonden, en de kosten van
transport berekend; er moet eene keus gedaan worden, want hij kan
niet alles medenemen. Hoe vele prachtige boomen heeft hij niet op zijn
zwerftochten ontmoet; welke schatten heeft zijn oog niet aanschouwd,
die toch voor hem onbereikbaar zijn! Volslagen gemis van wegen,
een zeer ongelijk, bergachtig terrein, een allesoverweldigende
plantengroei, ziedaar de bezwaren, die men moet overwinnen, om den
schat meester te worden. Hoe zal men dat aanleggen? De weg is te maken;
maar er moet noodzakelijk eene rivier in de onmiddellijke nabijheid
zijn, want zoodra de afstand meer dan twee mijlen bedraagt, wordt de
exploitatie, met het oog op de kosten, onmogelijk. De rivier is de
steeds bereidvaardige helpster, die zich kosteloos met het vervoer
belast: zij voert de kostbare blokken mede en brengt ze, ondanks alle
hinderpalen, rotsen, watervallen en stroomversnellingen, ongedeerd
voor uwe deur.
Het terrein is nu verkend; een beeedigd landmeter gaat er heen om
de grenzen te bepalen: en de houthakkers kunnen nu aan het werk
gaan. Neen, zoover zijn wij nog niet: er is gebrek aan handen;
de arbeiders zijn schaarsch, en allen zijn gehuurd--dat wil zeggen,
moeten werken om hunne schuld af te doen bij de ondernemers, die zonder
dit van ouds in zwang zijnde stelsel, niemamd zouden kunnen vinden
om voor hen te werken. Zij leggen het dus zoo aan, dat de Indianen
bij hen in schuld komen; en is het eenmaal zoo ver, dan zijn zij de
slaven van hunne schuldeischers. Daar de Indiaan zwak van karakter is,
zorgeloos en op drank verzot, raakt hij telkens meer in de schuld,
en zoo is hij feitelijk veroordeeld tot levenslangen dwangarbeid. Komt
hij te sterven, dan is de zoon verantwoordelijk voor de schuld van den
vader en treedt in diens plaats; dat is nog de aloude wet der Mayas,
die nog steeds van kracht is. Zonder deze wet zouden wij, ondanks hooge
werkloonen, geen mahoniehout hebben; want evenmin als de bewoners
van welk ander tropisch gewest ook, werkt de Indiaan vrijwillig, en
het geld heeft voor hem weinig bekoring. Daar de Indiaan zijn meester
niet verlaten kan, zoolang zijn schuld niet aangezuiverd is, betaalt
de nieuwe ondernemer die ten einde zich werklieden te verschaffen;
zoo kost iedere arbeider twee-, drie- tot vijfduizend francs; en
somwijlen heeft men twee- tot driehonderd man noodig. Ge ziet dus,
dat de ondernemer over kapitaal moet kunnen beschikken.
De arbeiders begeven zich op weg, en worden door den montero naar de
bepaalde plaats geleid. Daar, midden in het woud, op dertig, veertig,
zestig mijlen van iedere menschelijke woning, worden de ranchos
opgeslagen, en rusteloos heen en weer trekkende konvooien voorzien
de nieuwe kolonie van de noodige werktuigen en levensmiddelen. Dat
is nog niet alles; de boomen worden geveld; men ontdoet ze van het
spint--het zachte hout onder de schors--; men zaagt ze in blokken,
en de kostbare waar groeit tot stapels: maar de rivier is verre, en de
stammen staan op vrij grooten afstand van elkander: bijna voor iederen
stam moet een pad gebaand worden! En wie zal ze vervoeren? Ossen;
maar ossen zijn in de provincie nog zeldzamer dan mannen; men moet
ze dus gaan halen aan gene zijde van de Cordillera, in de vlakten van
Chiapas, op honderd-vijftig mijlen afstands. Zij zijn daar niet duur:
voor twintig piasters (honderd francs), kan men zeer goede beesten
hebben; maar de afstand, de bezwaren van de reis, het onvoldoende
voedsel doen de kudde dikwijls tot op een vierde slinken; het woud
ligt bezaaid met lijken, en de weinige ossen, die eindelijk behouden
ter bestemder plaatse aankomen, verkeeren in een zeer ellendigen
toestand en kosten ieder meer dan vierhonderd francs.
Maar ook nu houdt de sterfte nog aan: vele dieren bezwijken ten
gevolge van vermoeienis en het ongewone, ontoereikende voedsel,
dat hoofdzakelijk uit bladeren en _ramon_ bestaat. Bovendien maken
de arbeiders, die hun honger naar versch vleesch moeilijk kunnen
bedwingen, dikwijls met opzet dat er een ongeluk gebeurt, zoodat een
os moet worden gedood. Telkens moeten nieuwe dieren worden aangevoerd,
en het blok mahoniehout wordt aardig duur.
Eindelijk is de oever der rivier bereikt. Daar wordt elk blok aan
de zes kanten met een cijfer gemerkt, en van den hoogen oever in de
bedding geworpen. Bij den eerstvolgenden was zal het water al die
blokken medevoeren; blijft er bij ongeluk een hier en daar, op een
rots of in een bocht van den oever vastzitten, dan wordt het toch in
het volgende jaar medegevoerd.
In den tijd als de wateren der rivier zwellen, begeven de Indianen
van Tenosique zich met lichte kanos naar de plaats, waar de Usumacinta
uit de bergen te voorschijn treedt, naar de zoogenaamde Boca del rio,
om daar de mahonie blokken op te wachten, die de rivier bij honderden
medevoert; zij krijgen twee-en-een halve franc per blok, en het
is onder hen een hartstochtelijke wedstrijd, wie de moeste blokken
machtig zal worden. Daar elk blok gemerkt is, rangschikken zij ze naar
de eigenaars, binden ze tot vlotten en voeren ze zoo naar het dorp. Al
die arbeid, al die moeiten en gevaren, al die uitgaven zijn noodig,
waarde lezers, om u van mahoniehout te voorzien; en nu heb ik nog niet
gesproken van de epidemieen, die het vee doen sterven, van de koortsen,
waaraan de arbeiders bezwijken, van monteros, die met het geld op
den loop gaan of het verspillen, en van andere kwade kansen meer.
Intusschen heb ik zelf met allerlei moeielijkheden te worstelen,
die mijn vertrek vertragen. Ik ontvang zulke tegenstrijdige
berichten omtrent de ruinen, wier ontdekking ik mij ten doel heb
gesteld, dat ik soms geneigd ben aan eene algemeene samenspanning,
eene onverklaarbare mystificatie te gelooven. De ruinen bestaan;
de persoon zelf, die ze voor het eerst zag, geeft mij daarvan de
uitdrukkelijke verzekering. Zij zijn ver verwijderd, vijftig mijlen
ver, aan de andere zijde van de sierra, op den linker oever van de
Usumacinta; een weg is er niet, maar de richting, die ik volgen moet,
is bekend. Ik houd mij dan ook onledig met de toebereidselen voor
den tocht, maar mijne handen zijn gebonden.
Daar ik aanbevelingsbrieven bij mij had voor de beide handelshuizen in
het dorp, had men mij, bij mijne komst, alle mogelijke beloften gedaan,
maar geene enkele daarvan gehouden. Ik had op zijn minst vijftien
manschappen noodig, benevens veertien muildieren en drie paarden; er
waren noch paarden, noch muilezels, noch manschappen. Om de laatsten
te verkrijgen, liet ik twintig mijlen in het rond nasporingen doen,
onder aanbieding van dubbel loon; wat de muildieren betreft, gaf men
mij te kennen, dat er eerlang een konvooi uit Peten verwacht werd:
na eenige dagen rust, zouden de muildieren wel weer voor den tocht
geschikt zijn. Ik had levensmiddelen: rijst, bonen en beschuit,
maar geen vleesch. Met moeite kon ik twee stieren machtig worden,
die geslacht werden en wier vleesch in lange reepen werd gesneden,
gezouten en gedurende drie dagen in de zon gedroogd. Dit vleesch,
_tasajo_ genoemd, kan zoo lang bewaard worden als men wil.
Inmiddels had men eenige manschappen bij elkander gebracht, en
men verzekerde mij, dat de anderen zouden volgen; maar de zoo
vurig verlangde muildieren kwamen niet opdagen. Eindelijk, op een
avond, den achtsten dag van onze gedwongen gevangenschap, hooren
wij kreten en het getrappel van hoeven. Wij ijlen naar buiten: dat
waren de muildieren! Ik tel ze haastig: daar zijn er twaalf; wij zijn
gered! Neen, nog niet; want den volgenden morgen ontwaarde ik, tot mijn
schrik, in welken rampzaligen toestand de arme dieren verkeerden. Zij
waren bijkans levende geraamten, overdekt met afzichtelijke, stinkende
wonden, half dood, en ten eenemale buiten staat om eene zoo langdurige
en bezwaarlijke reis te ondernemen.
De eigenaar verzekerde mij evenwel, dat zij na acht dagen rust weder
zouden kunnen vertrekken, mits zij slechts de helft van de gewone
vracht hadden te dragen. De schurk kon met des te meer gerustheid
die verzekering geven, daar hij er vast op rekende dat de meeste
muilezels onderweg zouden bezwijken, in welk geval ik ze hem, tegen
den prijs van nieuwe dieren, zou moeten vergoeden: hetgeen later ook
inderdaad gebeurde. Maar ik vermoedde niets van deze sluwe berekening,
en wij hielden ons onledig met onze laatste toebereidselen.
De manschappen verschenen; voor de muildieren werden nieuwe pakzadels
en tuigen gemaakt, omdat de oude geheel versleten waren; men verdeelde
de vrachten onder het opzicht van den chef der muilezeldrijvers, die
het bestuur der karavaan op zich zou nemen, en ik moest een gedeelte
van mijn materieel achterlaten. Dit was niet alles; de montero, die
ons als gids zou dienen, verzekerde mij dat wij niet rechtstreeks naar
de ruinen konden gaan: op een zeker punt aan den rechteroever van de
rivier gekomen, moesten wij de Usumacinta ongeveer vijf mijlen ver
afzakken, om dan aan den linkeroever, vlak tegenover de monumenten,
aan land te gaan. Het was dus noodig, eenige manschappen vooruit te
zenden, om een weg door het woud te banen en ook eene groote kano te
timmeren, die ons naar de puinhoopen der oude stad brengen zou.
Den volgenden dag gingen dan ook zes man op weg, met het beste
muildier, dat de noodige levensmiddelen droeg en de gereedschappen voor
het maken der boot; wij zelven zouden later volgen. Na velerlei getob
en oponthoud konden wij dan toch eindelijk den vijftienden Maart 1882
vertrekken. De muildieren zijn niet genezen: men heeft hunne wonden
gewasschen, dat is alles; en onder den druk der nieuwe vrachten zullen
deze wonden op schrikbarende wijze verergeren: ik ben overtuigd, dat
enkele dieren bezwijken zullen. Maar wat te doen? Ons rest geen keus:
reeds bij het vertrek, en hoe wel slechts eene halve vracht te dragen
hebbende, schijnen de arme dieren onder den last te bezwijken.
Wij zijn midden in het woud; de weg is afschuwelijk, of liever,
er is in het geheel geen weg: doornstruiken, lianen, kreupelhout,
omgevallen boomen houden ons elk oogenblik tegen; het pad is zoo smal,
dat de muilezels telkens tegen de takken stooten, waardoor hunne vracht
wordt verschoven, en zoo weinig gebaand, dat men zeer oplettend moet
zijn om het spoor niet geheel bijster te raken. Wij komen slechts zeer
langzaam vooruit: de eerste dag der reis is altijd de moeilijkste; men
moet de muildieren, die zeer onwillig zijn, voortsleepen en daarbij
zeer streng in het oog houden, want zij peinzen voortdurend op een
middel om te ontsnappen. Omstreeks het midden van den dag zijn er
twee muildieren verdwenen; na een uur zoeken worden zij terug gevonden.
Wij hebben nu de vlakte verlaten en trekken in zuidoostelijke richting
voort, naar den voet van de Cordillera. Het woud wordt prachtig:
reusachtige stammen, door lianen als kabeltouwen omstrengeld, palmen
van meer dan honderd voeten hoogte, pandanussen met kolossale bladeren,
vermengd met slanke ceders en mahonieboomen, wier ruwe schors aan onze
eiken herinnert, vormen een schilderachtig, grootsch en indrukwekkend
geheel. Men wordt des bewonderens niet moede, en men zou wenschen, in
deze bosschen zijn leven te slijten, indien men niet zoo schrikkelijk
te lijden had van allerlei ongedierte, met name van muskieten en van
onze oude vijanden, de garrapaten.
De chef der karavaan regelt de dagreizen en bepaalt telkens de plaats,
waar men voor den nacht kampeeren zal; hij moet volkomen met het woud
bekend zijn, want men kan alleen daar ophouden, waar water voor onze
muildieren te vinden is en ook dien boom, _ramon_ genaamd, waarvan de
bladeren gedurende de reis hun eenig voedsel zijn. Doorgaans kampeert
men op eene kleine hoogte, te midden van eene ruime open plek, waar
reeds anderen hun kamp hebben opgeslagen, en waar de grond van boomen
en kreupelhout gezuiverd is. De hooge boomen blijven alleen staan,
en hunne machtige takken beveiligen ons tegen den killen nachtelijken
dauw. Deze kampementen dragen op de kaart een naam, hoewel er noch
eene hut, noch eene levende ziel te vinden is; maar zij dienen den
muilezeldrijvers als rust- en verkenningspunten op hunne tochten
van Peten naar Tenosique. Bij onze aankomst aan de bepaalde halt,
worden de beesten ontladen; de bagage wordt met de pakzadels op rijen
geplaatst; daarna begint men de arme dieren te verbinden. Deze eerste
dag heeft hunne wonden op schromelijke wijze verergerd. De mannen
gaan het bosch in om ramon te zoeken; men hoort hunne bijlslagen
tegen den stam, vervolgens, het gekraak van den neervallenden boom,
overstemd door hunne vreugdekreten. Kort daarna keeren zij terug,
gebogen onder eene geweldige vracht van groenende takken, die onder
de hongerige muildieren worden verdeeld. Inmiddels maakt Julien onze
veldbedden gereed, en de kok van den troep legt zijn vuur aan om ons
souper te bereiden. Het menu is steeds hetzelfde: een groote ketel
met tasajo, rijst of bonen met eene portie beschuit, en tot toegift
een kop koffie. Toch is er soms eenige afwisseling, naarmate wij
op de jacht gelukkig zijn geweest: apen, wilde kalkoenen, pecaris,
alles is ons welkom.
De avond valt; de manschappen, rondom de vuren gezeten, rooken en
praten; dan wordt het nacht, en ieder vlijt zich neer op een bed van
groene bladeren, beveiligd door een muskietenscherm. Onze slaap is
niet vast, en wordt telkens gestoord door zonderlinge geluiden: het
brullen of knorren van wilde dieren, het schreeuwen van nachtvogels
en het verschrikkelijk gehuil der brulapen.--Voor het aanbreken van
den dag zijn wij weer op de been; met het ontbijt, het optuigen der
muildieren en het verdeelen der bagage zijn ruim twee uren gemoeid,
en de zon staat reeds hoog aan den hemel, als de karavaan zich op
weg begeeft.
De eene dag gelijkt volkomen op den anderen, behoudens de uiterst
zeldzame ontmoeting van een uit Peten terugkeerenden reiziger. Deze
geheele streek is rijk aan ruinen, en alles bewijst dat zij vroeger,
voor de komst der Spanjaarden, bebouwd en bevolkt was; te midden van
deze uitgestrekte eenzame wouden vindt men nog de sporen van groote
steden, waarvan de geschiedschrijvers der verovering nog melding
maken. Die steden, die dorpen en tempels zijn van de aarde verdwenen,
en de eens zoo talrijke bevolking is geslonken tot enkele familien,
in de wouden verloren: de verbasterde en diep gezonken afstammelingen
van het ongelukkige ras.
Onze tocht wordt met den dag moeilijker, want wij hebben reeds twee
muildieren verloren, die waarschijnlijk wel de prooi der jaguars
zullen zijn geworden. Hunne vrachten zijn tusschen de anderen verdeeld
moeten worden; en om onze dieren zoo veel mogelijk te verlichten,
gaan wij beurtelings te voet.
Op den zevenden dag van onze reis, des morgens vroeg, begonnen wij te
voet de berghellingen te beklimmen. Hoewel deze bergen niet hooger
waren dan omstreeks vierhonderd-vijftig el, was de bestijging toch
een zeer zwaar en moeilijk werk, dat groote inspanning vorderde. Kort
daarna bereikten wij de vlakte en sloegen ons kamp op aan de oevers
van de rio Chotal, die zich in de Usumacinta uitstort. Het woud is
hier verwonderlijk schoon, en rijk aan allerlei wild; papegaaien en
aras doen de lucht weergalmen van hunne snijdende kreten; geelgekuifde
hoccos bewegen zich zwijgend in de hoogste takken, van waar groote
brulapen ons met nieuwsgierige blikken gadeslaan; een troep wilde
zwijnen rent in dolle vaart langs ons heen.
Wij bevinden ons in het land der Lacandons: hier en daar ontdekken
wij sporen van vroegere bebouwing, vruchtboomen en overblijfselen
van verlaten hutten. De Lacandons hebben zich uit deze streek
teruggetrokken bij de komst der houthakkers. Des avonds komen wij
eindelijk ter plaatse onzer bestemming, aan den paso Yalchilan,
en slaan wij ons kamp op aan den rechteroever van de Usumacinta.
X
Het was reeds laat, toen wij op deze plek, waar geene hut of spoor van
menschelijke woning te vinden is, aankwamen; wij waren allen uitgeput
van vermoeienis, en de tijd ontbrak om ons bivouak in behoorlijke
orde te brengen. Tot mijne verwondering vonden wij geen spoor van de
mannen, die vooruit waren gezonden en die ons hier moesten afwachten
met de door hen getimmerde boot; hunne afwezigheid boezemde mij eenige
ongerustheid in. Den volgenden morgen maakten de manschappen voor
ons eene soort van woning gereed; anderen gingen weer het bosch in,
om een muilezel op te zoeken, die achter gebleven was. Zij vonden
het arme dier, ruim twee mijlen verder op den grond liggende, half
dood van vermoeienis, honger en dorst. De mannen ontdeden den ezel
van zijne vracht, dien zij onderling verdeelden; maar het ongelukkige
dier had niet lang genot van die welwillendheid, want de jager die den
troep vergezelde, doodde een prachtig zwijn, dat de muilezel nu naar
het kamp moest dragen, en dat daar met groot gejuich ontvangen werd.
Tegen den middag verschenen eindelijk de canoeros; aanstonds vroeg
ik hun, hoe ver zij met hun arbeid waren gevorderd. De timmerman
antwoordde met zekere verlegenheid, dat de kano nog niet klaar was;
dat zij verschillende boomen hadden omgehakt, die later bij de
bewerking bleken ongeschikt te zijn voor de vervaardiging van de
canoa: dat was een ongeluk, en niet hunne schuld; maar binnen eenige
dagen zouden zij met hun werk gereed zijn. Ik volgde hen naar hunne
werkplaats, omstreeks een mijl stroomafwaarts: ik vond daar inderdaad
twee boomen op den grond liggen, waarvan de een, in ruwe omtrekken,
de gedaante van eene kano vertoonde, maar nog geheel uitgehold moest
worden. Hadden de werklieden zes dagen noodig gehad, om het zoover
te brengen, dan hadden zij er minstens nog acht noodig, om het werk
te voltooien. Blijkbaar hadden zij hun tijd verbeuzeld met jagen en
visschen en luieren, en hadden zij zich niet om mij bekommerd.
Maar een oponthoud van acht dagen was onmogelijk, want de
levensmiddelen slonken ziender oog, en hoewel ik den voorraad voor
veertig dagen had berekend, zou hij ter nauwernood voor twintig
toereikend zijn. In alles behalve opgewekte stemming keerde ik naar
het kamp terug, niet wetende wat te doen. Ik kon wel den oever der
rivier volgen tot tegenover de ruinen, die aan de overzijde lagen:
daartoe moest een pad van omstreeks twintig kilometers lengte door
het woud worden gebaand en vervolgens een vlot getimmerd om de rivier
over te steken. Maar ik kon dan slechts een gedeelte van mijn materieel
medenemen; en bovendien, zouden de manschappen mij willen volgen? Zij
en de muilezels waren slechts gehuurd tot den paso Yalchilan, en zeer
vermoedelijk zouden zij weigeren verder te gaan, want zij zijn van
niets zoo afkeerig als van arbeid, meer dan strikt noodig is.
Terwijl mijne blikken daar over die breede, snelvlietende rivier
dwaalden, ontdekte ik, stroomopwaarts, een vaartuigje, waarin een
onbekende zat. Hij was gekleed met een lang hemd en liet zich met
den stroom afdrijven, terwijl hij zich met een palmblad tegen de
zonnestralen beschermde. Maar niet zoodra had de Lacandon--want het was
een Lacandon--ons bespeurd, of hij greep zijne pagaai en wendde zijne
boot. Gelukkig verstond een mijner manschappen zijne taal; hij riep
den cayuco toe, en beloofde hem allerlei moois, als hij bij ons wilde
komen. De Indiaan kwam: het was een grijsaard, gehuld in eene lange
tuniek of hemd met wijde mouwen; hij drukte mij glimlachend de hand
en ging mede naar het kamp, schuw rechts en links omziende. Behalve
zijne van grof katoen gemaakte tuniek, droeg hij om het hoofd een
doek van dezelfde stof; om zijn hals hing eene reusachtige ketting,
bestaande uit twintig rijen zaden, glaskralen, tanden van dieren en
eenige muntstukken; in de hand hield hij zijn boog en pijlen.
De grijsaard was gelukkig een opperhoofd: ik liet hem de geschenken
zien, die ik voor hem en de zijnen had medegebracht: bijlen, sabels,
katoenen stoffen, messen, zout en vischtuig. De oude man was geheel
verbluft, en verzekerde dat hij zijne onderdanen met mij in aanraking
zou brengen. Mijn tolk vroeg hem, of hij ons kanos kon leenen: hij
had er twee, en de tolk ging dadelijk met hem mede, om de booten te
halen. Het was niet veel, maar toch altijd beter dan niets.
Den volgenden morgen had ik eene vreemde ontmoeting. Ik stond aan
den oever der rivier, uitziende naar de kanos, toen ik eensklaps
eene vrij groote boot zag verschijnen, waarin drie mannen, die geen
Indianen waren. Van waar kwamen zij, en waar gingen zij heen? Een
bittere gedachte schoot mij eensklaps door de ziel: deze mannen
behoorden tot eene andere expeditie, die mij voor was geweest. Dat
was het gevolg van mijn lang oponthoud te Tenosique!
Ik riep de boot aan, die aan den oever kwam, en ik vernam van die
onbekenden, dat zij levensmiddelen hadden gevraagd bij de Lacandons,
maar niets hadden kunnen krijgen dan tomaten, en verder dat zij naar
de ruinen terugkeerden, waar zich een zekere don Alfredo bevond.
"Wie is don Alfredo? vroeg ik aan een der mannen.
--Wel, antwoordde hij, dat is don Alfredo.
--Heel goed: maar wat voert hij daar in de ruinen uit?
--Hij wandelt.
--Met u hoevelen zijt gij?
--Wij zijn met ons zestienen, en wij hebben geen levensmiddelen meer.
--Hebt gij nog eene andere kano?
--Ja, wij hebben er nog een groote.
--Welnu, zeide ik, ik heb levensmiddelen." Daarop mijne manschappen
roepende, liet ik naar de kano de helft van een wild zwijn, een zak
met tasajo, rijst en beschuit brengen.
"Ziedaar levensmiddelen voor u en voor uw meester: gij zult drie lieden
van mijn volk medenemen, en don Alfredo verzoeken, dat hij mij morgen
zijne groote kano zende. Hier is mijn kaartje, dat gij hem moet ter
hand stellen. Gaat nu en keert zoo spoedig mogelijk terug!"
Ik begon nu dadelijk toebereidselen voor mijn vertrek te maken; maar ik
had niet gerekend op de koorts, die mij juist des morgens aantastte. De
aanval was zeer hevig; ik ijlde en was geheel machteloos. Zoodra
de crisis voorbij was, nam ik eene goede dosis quinine en ging een
paar uren rusten. De kano kwam; en hoe ziek ik ook was, liet ik mij
toch aan boord dragen; zes onzer Indianen met Lucien gingen mede. De
anderen bleven achter onder de hoede van Julien. Mijn hoofd gloeide;
slechts met groote moeite kon ik blijven zitten; alles werd mij groen
en geel voor de oogen. De sterke stroom voerde ons mede, en na eene
vaart van drie uren kwamen wij aan een grooten steenhoop, die op de
rotsen aan den linkeroever der rivier was opgericht. Wij waren ter
plaatse onzer bestemming. Met een kloppend hart ging ik aan wal;
een der Indianen, die wij daar aantroffen, was bereid mij als gids
te vergezellen; wij togen het bosch in, om don Alfredo op te zoeken.
Wij hadden nauwelijks driehonderd ellen afgelegd, toen ik een rijzig
jonkman naar mij toe zag komen, in wien ik aanstonds een Engelschman
herkende. Wij gaven elkander de hand; hij had op mijn kaartje mijn naam
gelezen, dien hij kende; hij noemt mij den zijnen: "Alfred Maudsley,
van Londen"; en ziende dat ik van mijne verbazing nog niet bekomen was,
voegde hij er aanstonds bij:
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 | 7 |
8 |
9 |
10