Review: Gritty debut novel 'Nowhere' follows a teen runaway to some very real places
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Clenched fists and AK-47s
Ad -

Decoding the Heavens: Solving the Mystery of the World's First Computer by Jo Marchant review
It may sound like faint praise to say that Nami Mun writes with strong verbs, but given the overwrought, undercooked prose of the 'literary' novels that all too often emerge from today's creative writing programs, a simple, inventive verb choice is a

A / B / C / D / E / F / G / H / I / J / K / L / M / N / O / P / R / S / T / U / V / W / Y / Z

Reis naar Yucatan written by Desire Charnay

D >> Desire Charnay >> Reis naar Yucatan

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10



Pater Cogolludo bezocht dien tempel in 1656; hij verhaalt ons dat
de trap zoo steil was dat hij er duizelig van werd, en dat hij in
een der zalen van het gebouw offeranden van cacao vond en sporen
van copal, die men er sedert kort gebrand had: hieruit blijkt dus,
dat de Indianen van Uxmal, honderd-vijftien jaren na de verovering,
nog aan hunne goden offerden. Daaruit blijkt ook, dat de tempel nog in
wezen was en dat de Indianen er nog hunne oude eeredienst uitoefenden.

Uxmal is de eenige stad, waar de gebouwen zoo geplaatst zijn, dat
men ze gezamenlijk overzien kan. Bepaaldelijk wordt de aandacht
getrokken door eene groote pyramide zonder monument, met eene breede
vlakke kruin, die den naam draagt van _Cerro de los sacrificios_,
heuvel der offeranden, waar de menschenoffers plaats grepen. Deze
pyramide zou dan eene navolging zijn van de mexikaansche tempels,
welke uit eene pyramide bestonden, met kleine houten kapellen waarin
de beelden van de afgoden stonden, en den _techcatl_, een blok steen
met bolle oppervlakte, waarop het slachtoffer werd uitgestrekt, zoodat
de vooruitstekende borst gemakkelijk door het mes van den priester
kon worden opengesneden, die er vervolgens het hart uitnam. Het
menschenoffer geschiedde altijd ten aanschouwe van het volk, aan
den rand der pyramide, van waar men vervolgens het lijk naar beneden
wierp, opdat de toeschouwers het onder zich zouden kunnen verdeelen
en verslinden.

De Tolteken daarentegen, bij wie het menschenoffer niet in gebruik was,
hadden werkelijk tempels op hunne pyramiden, naar de beschrijving te
oordeelen, geheel overeenkomende met die, welke men in Yucatan ziet,
waar zij deze wijze van bouwen invoerden en ontwikkelden. Vinden
wij dus bij de Mayas het menschenoffer en de daarmede verbonden
anthropophagie, dan kunnen wij dit gebruik alleen aan mexikaansche
invloeden toeschrijven: alle geschiedschrijvers verklaren dan ook
eenstemmig dat het de Azteken waren, die deze afschuwelijke gewoonte
in het schiereiland invoerden. Maar wij weten dat deze Azteken niet
voor het jaar 1440 als hulptroepen naar Mayapan konden komen. De voor
het voltrekken der menschenoffers bestemde monumenten kunnen dus niet
ouder zijn dan de tweede helft der vijftiende eeuw.

Ik kan te dezer plaatse deze kwestie van den ouderdom der monumenten
van Yucatan niet in alle bijzonderheden bespreken; op deugdelijke
gronden ben ik overtuigd dat de steden van het schiereiland, op
verschillende tijden door de veroverende Tolteken gesticht, voor het
meerendeel niet ouder zijn dan de elfde eeuw, en dat de jongsten uit
de vijftiende eeuw dagteekenen.

Wij nemen afscheid van de ruinen en slaan den weg in naar Muna,
een aanzienlijk vlek, waar een feest gevierd wordt. Welk een aantal
feesten! Bijna in elk dorp, dat wij doortrekken, is het feest. Dat is
eene uitmuntende gelegenheid om te drinken; het wemelt van beschonkenen
en de herbergen zijn vol van Indianen, die het verfoeilijke bier
drinken. Maar ge hoort geen geschreeuw en ziet geen vechtpartijen of
ergerlijke tooneelen: zelfs in hunne dronkenschap zijn deze lieden stil
en vreedzaam. De een gaat op den grond liggen; een ander ziet u met
verglaasde oogen aan; een derde wil u uit louter teederheid omhelzen.

Op het marktplein waggelt een mooie, rijzige mesties, met een
blauwen hoed op en geheel in het nieuw gestoken; hij valt, maar
richt zich weer op, dank zij de krachtige hulp van zijne moeder en
zijne vrouw, die hem zoo goed zij kunnen ondersteunen en trachten
weg te voeren. Dicht bij ons, op de trappen van de herberg, waar
wij onzen intrek genomen hebben, richt een jonge Indiaan zich op:
aarzelend kijkt hij naar den winkel, waaruit hij naar buiten is
getuimeld, en die hem zoo onwederstaanbaar lokt met al die gevulde
flesschen. Twee schreden verder staat zijne kleine vrouw, die hem
wacht, en hem met haar zachte stem toefluistert, "_Coox...._ laat
ons gaan." Maar hij gaat niet: de verzoeking is hem te sterk: hij
keert in de herberg terug en komt naar buiten met een gevuld glas,
dat hij zijne echtgenoote aanbiedt. De Indiaansche keert zich om,
omsluiert zich het gelaat, drinkt het glas leeg, en zegt tot haar
gemaal, maar op nog zachter toon: "_Co.....ox_." Hij, denkende haar
overreed te hebben, lacht onnoozel, keert in de herberg terug, drinkt
nog een glas en gaat nu, bijna bewusteloos, met dof starende oogen,
weer op de trap liggen. "_Co....ox....coox_," herhaalde de vrouw op
klagenden toon; maar hij hoorde haar niet meer. De ongelukkige zal
daar misschien den geheelen nacht blijven liggen, en zijne vrouw zal
bij hem waken tot de dag aanbreekt.

Wij vernachtten te Abala in eene verlaten hut, en kwamen den volgenden
morgen ten tien uren, te Merida.


VIII


Wij gaan te Progreso aan boord van de _Asturias_, een stoombootje zoo
groot als een notendop, met slechts vier slaapplaatsen. Gelukkig zijn
wij de eenige passagiers. De zee is kalm, en den volgenden morgen vroeg
komen wij te Campeche. Daar het bootje maar zeer weinig diepgang heeft,
kunnen wij dicht genoeg de kust naderen om het panorama van de stad
te kunnen genieten; grootere stoomschepen moeten ook hier, even als
te Progreso, het anker uitwerpen op vier mijlen afstands van de kust,
van waar men ter nauwernood het land kan zien.

Campeche werd gebouwd op de plek, waar eene oude indiaansche stad
stond, en waar Antonio de Cordova zich ophield bij zijne eerste
ongelukkige expeditie van 1517. De Indianen kwamen de vreemdelingen
tegemoet, en, zegt Bernal Diaz del Castillo, "zij geleidden ons
naar zeer uitgestrekte gebouwen, die de kapellen van hunne goden
bevatten. Op de muren dier gebouwen zag men bas-reliefs, reusachtige
slangen verbeeldende; daarnaast, geschilderde afbeeldingen van
goden, rondom een soort van altaar, waarop nog versche bloeddroppelen
zichtbaar waren. Een groot aantal mannen en vrouwen kwamen naderbij,
glimlachende en vriendelijk; naar het scheen, enkel gedreven door
de begeerte om ons te zien."--Maar het tooneel veranderde weldra:
men bracht vuurpotten, waarin geurig riet brandde, en priesters,
wier haren doortrokken waren van bloed, beduidden den Spanjaarden dat
zij deze kust moesten verlaten, eer de vuurpotten waren uitgebrand,
anders zouden zij vermoord worden. De Spanjaarden verwijderden zich
aanstonds, en keerden eerst in 1541 te Campeche terug. Tempels en
pyramiden zijn sedert lang verdwenen, maar zoowel deze gebouwen als de
eigenaardige versiering, de zonderlinge ceremonien, die priesters met
hunne bloedige haren--dit alles herinnert ons levendig aan Mexico. Wat
is er van die tempels en pyramiden geworden? Als alle gebouwen langs
de kust of in de onmiddellijke nabijheid der spaansche nederzettingen,
zijn zij van de aarde verdwenen; zij behoorden tot dezelfde bouworde
als de monumenten in het binnenland, die aan de vernielingswoede der
veroveraars ontsnapten en die, zij het ook als ruinen, nog bestaan.

Toen Campeche later de rijkste stad van Yucatan was geworden, werd
zij bij herhaling door fransche en engelsehe zeeschuimers geplunderd;
om de stad tegen die bijna periodiek wederkeerende rooverijen te
beveiligen, omgaf men haar met een zwaren muur en bracht haar in
staat van tegenweer. Die muur, waaraan de stad toen hare veiligheid
dankte, beknelt en benauwt haar nu, en verhindert hare uitbreiding. Het
voorkomen van Campeche verschilt van dat van Merida: de kromme bochtige
straten der voorsteden, de grachten met haar ophaalbruggen en de zware
muren geven haar het karakter eener vesting, waarop zij roem draagt:
metterdaad werd zij slechts eene enkele maal belegerd door de inwoners
van Merida, die haar niet konden overmeesteren. De straten loopen
niet rechtlijnig, zoo als in alle andere steden der republiek; en de
ongelijke huizen, die ook hooger zijn dan in de mexikaansche steden,
geven aan Campeche een minder oostersch voorkomen. Monumenten zijn
er niet, en de kathedraal is meer dan eenvoudig.

De rijke kooplieden bezitten, buiten de stad, villas en
buitenverblijven, _fincas_ genoemd, waar de tropische flora al haar
weelde en overstelpenden rijkdom ten toon spreidt, en die de stad
met een krans van groen omringen.--Uit zee gezien, maakt Campeche,
zoo als het daar ligt tegen het hellende strand, tusschen twee fraai
gevormde heuvelen, een zeer schilderachtigen indruk.

De boot zou hier een dag stilhouden. Ik haastte mij aan land te gaan
om de hand te drukken van een mijner beminnelijkste correspondenten,
don Jose Ferrer, die mij reeds herhaaldelijk, met den vriendelijksten
aandrang, gastvrijheid had aangeboden, ingeval mijne studien mij naar
Campeche mochten voeren. Ik vond daar een alleraangenaamst interieur,
en bracht in den blijden familiekring, onder zang en muziek en vroolijk
gesprek, een dag door, dien ik niet gemakkelijk vergeten zal.

Om vier uren in den namiddag moest ik weer naar onze drijvende notendop
terugkeeren om naar Carmen te stoomen, en reeds verheugde ik er mij
over dat wij nog alleen aan boord waren, toen eene groote sloep vol
passagiers de boot naderde. Het was een troep tooneelspelers, achttien
personen sterk, vergezeld van honden, katten en papegaaien. Dat was een
ramp! Het vooruitzicht toch, in dit gezelschap, een paar dagen op zee
te moeten doorbrengen, was alles behalve aangenaam: te minder daar wij
vriendelijk verzocht werden, de hutten te ontruimen, die de troep reeds
voor lang had afgehuurd. Niet zonder moeite kon ik bewerken, dat men
mijn secretaris Lucien ongemoeid zou laten, die met hevige koorts te
bed lag. Zijn kermen trok de aandacht van de komedianten, en de vrouwen
maakten zich ongerust over de nabijheid van den zieke. "Wat scheelt hem
toch? vroegen zij, op angstigen toon. Het is toch niet de gele koorts?

--Waarschijnlijk wel;" antwoordde ik met een zeer ernstig gezicht;
en de verschrikte troep ontruimde dadelijk de hutten om zich naar
het andere einde van het schip terug te trekken.--Wij namen weer
bezit van onze bedden en brachten een zeer aangenamen nacht door,
zoodat wij des morgens verkwikt te Carmen aankwamen.

Carmen is de groote stapelplaats van het onder den naam van
Campechehout bekende verfhout; de stad is rijk; een aantal
handelshuizen hebben groote fortuinen gewonnen in dien weinig bekenden
handel, die een langdurig verblijf in het land vordert en eene volkomen
kennis eischt van de plaatselijke toestanden en van de menschen,
met wie men in aanraking komt. Een van de voornaamste huizen is dat
van de heeren Anizan, waarvan ik vroeger den stichter had gekend:
hij was dood, maar zijn broeder don Benito en zijn zoon don Pancho
waren nog in leven. Wij hadden elkander in geen vijf-en-twintig jaren
gezien, en wij waren dus alle drie vrij wat veranderd: men herkende
mij eerst nadat ik mijn naam had genoemd. Maar nu was ik ook aanstonds
een lid der familie; ik knoopte met don Benito een gesprek aan over
de ruinen, waarmede hij volkomen vertrouwd was. Hij had juist eene
zeer merkwaardige ontdekking gedaan. Don Benito is eigenaar van een
zeer groot eiland in de Usumacinta, het eiland del Chimal, waar men
oude pyramiden, graven en overblijfselen van tempels vindt. Bij het
doen van opgravingen had men nu kanonnen gevonden van gebakken aarde,
anderhalve el lang, met kogels eveneens van gebakken aarde, waarvan
hij mij enkele exemplaren aanbood. Dit aarden kanon schijnt inderdaad
iets zeer vreemds, maar bij nadenken wijkt mijne verbazing en kan
ik mij de zaak zeer goed verklaren. Het schijnt mij zeer natuurlijk,
dat ten gevolge van den grooten veldslag, dien Cortez tegen de troepen
van Tabasco moest leveren bij Centla--tegenwoordig Comalcalco--waarbij
hij al zijne krachten moest inspannen en waarin vooral de artillerie
uitstekende diensten bewees,--het schijnt mij natuurlijk, zeg ik,
dat de Indianen, ten hoogste getroffen door de vreeselijke uitwerking
van het nieuwe wapentuig, eene poging hebben beproefd om het na te
maken. Zonder zich rekenschap te geven van de werking van het kruit
en onbekend met het ijzer, vergenoegden zij zich, in hunne naieve
onwetendheid, met het nabootsen van dit moorddadig wapentuig in
aarde, denkende dat zij daarmede hetzelfde doel zouden bereiken als
de Spanjaarden met hun geschut.

Bij den dood van den cacique werden de kanonnen en de kogels van
gebakken aarde met hem begraven. Ook hieruit wederom blijkt de jonge
dagteekening van sommigen dezer grafheuvelen.

De vaart van Carmen naar Frontera duurt twaalf uren; juist een jaar
nadat wij deze plaats verlaten hadden, stapten wij er weer aan
land. Er is niets veranderd: de kleine aanlegsteiger ziet er nog
wat meer vervallen uit dan ten vorigen jare; en de slechte herberg,
waarin wij toen onzen intrek namen, hangt nog altijd op haar palen
boven het slijkerig bed der rivier, waarvan zij de verderfelijke
uitwasemingen uit de eerste hand ontvangt. Er is evenwel geene keus:
deze afschuwelijke fonda is de eenige, en overal elders zouden wij
ongetwijfeld aan hetzelfde gevaar zijn blootgesteld. De stad is in
de hoogste mate ongezond; de directeur der douane is gedurende mijne
afwezigheid gestorven; pokken, dysenterie en gele koorts heerschten
om strijd in dit rampzalig stadje, dat driehonderd inwoners verloren
had. Maar een goede genius beschermt de reizigers: wij blijven gespaard
en zetten onze studien voort, in afwachting dat eene stoomboot of
een ander vaartuig ons hooger op de rivier zal kunnen brengen.

Mijne nasporingen langs de kust en de rivier hebben mij in staat
gesteld, met vrij groote zekerheid de plaats te bepalen, waar de oude
hoofdstad Centla eens stond. De Grysalva van heden komt niet overeen
met de rivier van vroeger: zij liep toen meer dan twintig mijlen meer
westwaarts, in de bedding van de rio Seco, nabij de stad Comalcalco,
waarvan wij de ruinen hebben bezocht; hetzij door eene werking der
natuur, hetzij op kunstmatige wijze, werd haar loop veranderd. Ik heb
daarvan het bewijs. Tijdens zijne expeditie en zijn grooten veldslag
tegen de inwoners van Tabasco, hield Cortez zich op aan den mond van
eene rivier, die zich met twee monden in zee uitstortte: las dos Bocas,
een naam, die nog heden wordt gebruikt voor de uitmonding van de rio
Seco. Van zijne vaartuigen konden slechts de allerkleinste door den
mond der rivier binnenvaren; bij Frontera daarentegen loopen schepen
van twaalf voet diepgang dagelijks zonder eenige moeite binnen. De
geschiedschrijver bericht ons dat Cortez zich terugtrok op een klein
eiland, tegenover het dorp, bij Frontera bevindt zich slechts een
zeer groot eiland, maar dat ligt ongeveer een mijl lager.

Herrera gewaagt ook van eene voorde, waarvan de soldaten van Cortez
gebruik maakten om de rivier te doorwaden, ten einde de verschansingen
der Indianen te gaan verkennen. Op de plaats waarvan hij spreekt,
kan er in de Grysalva nimmer eene voorde zijn geweest: overal is
de rivier buitengewoon breed en zeer diep. Zoowel hieruit, als uit
andere bijzonderheden, die Herrera mededeelt, blijkt dat de groote
veldslag geleverd werd aan de oevers van de rio Seco, en dat daar
ook de indiaansche hoofdstad Centla lag, tegenwoordig Comalcalco.

Gedurende mijn verblijf te Frontera houd ik mij vooral bezig met het
opsporen van oud aardewerk, en het gelukt mij eene vrij volledige
verzameling bijeen te brengen. Wel zijn de indiaansche afgodsbeelden
van terra-cotta in Tabasco niet zeldzamer dan elders,--men vindt er
eene menigte in de bosschen--maar in den regel slaat men ze stuk;
tot hiertoe heeft niemand zich de moeite gegeven, ze te verzamelen;
in het museum te Mexico vindt men er geen enkel exemplaar van.

Onder degenen die ik heb bijeengebracht, vindt men verschillende
beelden, meer of minder overeenkomende met die van de hoogvlakten. Ik
voeg hier (blz. 144) de afbeelding van twee der fraaiste en volledigste
bij. Als ik zeg fraaiste, is dat maar bij manier van spreken, want de
aarde is ruw en grof, de figuren zijn monsterachtig en onbeholpen, en
men zou zeggen, dat de vervaardigers er zich bij voorkeur op toelegden
om iets grotesks en leelijks voort te brengen. Maar als bewijzen van
de mate van kunstontwikkeling bij de Indianen, en dus als historische
dokumenten, hebben ook deze wanstaltige beelden waarde en betekenis.

Intusschen volgen de dagen maar steeds, in vervelende eentonigheid op
elkander, en er is geen spoor van een stoomboot te ontdekken. De dood
velt rechts en links zijne slachtoffers, maar daar wij midden in het
karnaval zijn, wordt er niet minder pret gemaakt en gedanst. De jonge
meisjes van de stad verschijnen in het logement, bijdragen vragende
voor de kosten van het bal; onder haar zijn er die er heel aardig
uit zien, en daar men ook ons uitnoodigt, teekenen wij mede. Mannen,
bij wijze van maskerade in onmogelijke lompen gehuld, loopen door de
straten, gevolgd door jongens en vrouwen, die luidkeels lachen om
hunne kwinkslagen; er worden zwermen afgestoken, koperinstrumenten
schetteren, geaccompagneerd door het knarsen en janken van guitaren:
het bal begint. De menigte stroomt er heen; wij gaan mede om getuigen
te zijn van de reeds vroeger aanschouwde tooneelen en van dezelfde
eentonige dansen. Julien, mijn bediende, is de koning van het feest:
hij is jong, welgemaakt en danst verrukkelijk: de schoonen van
Frontera zijn op hem verzot en dingen om zijn gunst; wel eenigszins
tot ergernis van Lucien, die hem niet uit het oog verliest, maar
hem zijn geluk vergeeft: want, zegt hij, hij is zachtaardig,
dienstvaardig, bescheiden en hij poetst onze laarzen beter dan
iemand anders. Deze min of meer kwaadaardige opmerking gaat verloren
onder een onbeschrijfelijk gerucht: daar is een twist uitgebarsten,
doorgaans het gevolg van gekrenkten minnenijd, die zich wreekt door
een dolkstoot of een pistoolschot. Eensklaps knalt een schot te midden
der menigte: algemeene verwarring en luid geschreeuw van de dansers;
men schiet toe; de moordenaar wordt gevat door eenige vrienden, die
hem zeer kalm naar het politie-bureau brengen. Het slachtoffer, aan
de linkerzijde van het hoofd getroffen, zakt in elkaar; men draagt
hem weg, en het bal gaat, na deze kleine stoornis, weer zijn gang.

Eindelijk verschijnt eene kleine stoomboot, die de rivier moet opvaren,
de kapitein wil ons wel opnemen, maar zonder zich tot iets te verbinden
en zonder te zeggen, waar hij ons zal afzetten. Ook kunnen wij geen
prijs te weten te komen; men zal niet meer van ons vragen dan billijk
is: maar dat billijke zal wel zoo hoog mogelijk gesteld worden:
wij ondervonden dat later.

Wij vertrekken; maar reeds den volgenden dag, te Jonuta, vindt de
kapitein den waterstand onrustwekkend laag: hij aarzelt, of hij de
reis wel zal voortzetten! Onze dringende verzoeken laten hem tamelijk
onverschillig; eindelijk besluit hij toch voort te stoomen, vooral
omdat hij eene groote sloep op sleeptouw heeft genomen, vol Indianen
en koopwaren. Deze sloep is intusschen eene belemmering te meer voor
onze vaart; en toen het avond geworden was, voeren wij zoo in den
blinde door de ondiepe rivier, dat wij omstreeks middernacht aan den
grond raakten. Wij ontwaken door den schok: het kwaad is geschied. Te
vergeefs laat de machinist zijne machine voor- en achteruit werken:
wij zitten als een muur. Tot overmaat van ramp heeft het sleeptouw
zich om de schroef gewikkeld, zoodat iedere beweging onmogelijk is.

Wij zijn op tien mijlen afstands van iedere menschelijke woning,
en wanneer het water nog meer zakt, hebben wij het aangename
vooruitzicht, dat wij in deze positie den was van het volgende
saizoen kunnen afwachten. De dag breekt aan, en het geval blijkt
minder hopeloos: de bemanning gaat te water, en de kapitein, met een
mes gewapend, duikt onder om het touw door te snijden dat de schroef
omklemt. Deze begint weer te werken, en nu komt er ook beweging in de
boot; omstreeks tien uren raken wij weer vlot, en wij sukkelen voort
tot aan Monte-Christo, een armoedig dorp aan den linkeroever van de
Usumacinta, waar de kapitein ons aan wal zet.

Onze bagage wordt op den oever neergezet, en nu komt het op betalen
aan; ik vraag wat wij schuldig zijn. "Vijfhonderd francs," antwoordt
de kapitein. Ik weet dat elke tegenspraak nutteloos is, maar toch
veroorloof ik mij de opmerking, dat de boot de groote zware sloep
op sleeptouw heeft, bemand met vier Indianen, plus den eigenaar en
eene vracht koopwaren, en dat men van dien man niet meer dan vijftig
francs voor het traject had gevraagd; ik verzoek dus te mogen weten,
waarom men mij zoo veel meer rekent;--maar de kapitein geeft eenvoudig
ten antwoord: "Het is vijfhonderd francs." Er schiet niet anders over
dan te betalen.

Nu rijst de vraag, hoe wij verder zullen komen. Als wij de rivier
volgen, hebben wij vier of vijf dagen noodig om Tenosique te bereiken;
over land, dwars door de bosschen, bedraagt de afstand niet meer dan
vier-en-twintig uren.

Dank zij de tusschenkomst van een Franschman, in dezen uithoek
verzeild, gelukt het ons, binnen weinige uren, ons eene kano met de
noodige roeiers en levensmiddelen aan te schaffen; ik vertrouw ons
geld en al onze verdere bagage aan de hoede van mijn getrouwen Julien,
die zich zoo spoedig mogelijk bij ons zal voegen. Lucien en ik nemen
een gids en paarden, en gaan den volgenden morgen op weg.

Het weer is prachtig, de grond is droog, de weg gemakkelijk; alles
gaat naar wensch; en na door eene uitgestrekte savane te zijn gereden,
volgen wij, in de schaduw van het geboomte, den oever der rivier tot
aan de monding van de Chacamas, die wij doorwaden. Toen kwamen wij in
het woud; onze paarden, die op eene zeer onaangename manier draven,
vliegen, zoo hard zij kunnen. Onze gids, die aan deze manier van
reizen gewoon is, wil ons zeker in een stuk de twintig mijlen laten
afleggen, die ons van Tenosique scheiden; daarom maakt hij zooveel
mogelijk spoed. Wij hebben moeite om hem te volgen, en de weg dunkt ons
minder fraai. Op het nauwe pad, dat wij volgen, struikelen onze paarden
telkens over rotsblokken en stukken hout; de takken der boomen slaan
ons in het gezicht: en links en rechts, van achteren en van voren,
omstrengelen ons de lianen, dreigende ons van het paard te sleuren
of te worgen. Welk een afschuwelijke weg! De gids rent maar altijd
door, zonder zich in het minst om ons te bekommeren; wij verliezen
hem uit het oog, en, uitgeput van vermoeienis, laten wij onze paarden
voortstappen, min of meer in den blinde het half gebaande pad volgende.

Een rit van zes uren had onzen honger geprikkeld: en toen wij eindelijk
den gids weder vonden, die ons aan den oever eener beek wachtte,
was de eerste vraag:

"Waar zijn onze levensmiddelen?

--Welke levensmiddelen?

--Wel, het ontbijt, dat men heden morgen voor ons heeft gereed
gemaakt."

De ongelukkige had het vergeten; en om onzen honger te stillen,
moesten wij ons tevreden stellen met wat rhum en water.

Hoe ook afgemat, hervatten wij den tocht, om tegen drie uren eene der
krommingen van de Usumacinta te bereiken, waar zich de hut van den
veerman bevond. Daar waren kippen, dus ook eieren: wij plunderen de
arme hut en besproeien ons zeer eenvoudig maal met groote plassen
posole, een mengsel van gemalen mais en water, maar zonder onzen
brandenden dorst te lesschen.

Wij steken over naar den anderen oever, en komen, na een rit van twee
uren te Cabecera, een armoedig dorp, op drie mijlen afstands van
Tenosique. Onze gids wil doorrijden, maar wij weigeren volstandig,
en worden gastvrij ontvangen door twee oude dames, die ons kippensoep
en gebakken visch voorzetten, welke ons heerlijk smaken. Na een vrij
rustigen nacht kwamen wij den volgenden morgen vroeg te Tenosique.


IX


Tenosique is het laatste dorp in de vlakte; de eerste heuvelen van de
Cordillera verheffen zich op twee mijlen afstands; de Usumacinta komt
daar, van de steilte nederdalend, met zeer sterk verval, tusschen
twee bergen te voorschijn. Een weinig verder begint de sierra met
haar doolhof van onbekende valleien, waarin de Lacandons hun verblijf
hebben gevestigd. Dat is de plaats onzer bestemming; maar om er te
komen, hebben wij vele moeilijkheden te overwinnen.

Tenosique ligt op eene hoogte, waardoor het tegen periodieke
overstroomingen beveiligd is; maar even als alle van de hoofdplaatsen
verwijderde dorpen, bestaat het uit armzalige hutten, en leidt men er
een vrij ellendig leven. Men bezorgt ons een hut, waarvan het rieten
dak rust op vier wanden van biezen met aarde besmeerd; ondanks wij dit
lokaal herhaalde malen laten aanvegen, worden wij toch opgegeten door
het ongedierte en gemarteld door de muskieten. Natuurlijk is er geen
enkel meubel: gelukkig hebben wij onze hangmatten en veldbedden bij
ons. Dit ellendige nest dagteekent niettemin uit de eerste tijden
na de verovering, en bestond zeer waarschijnlijk reeds voor dien
tijd als indiaansch dorp. In den laatsten tijd heeft dit vergeten
dorp eene zekere bekendheid verworven. Ten gevolge van de toenemende
zeldzaamheid van het mahoniehout in de bosschen van Tabasco, zijn de
handelaars in deze kostbare houtsoort gedwongen geworden, hunne agenten
tot naar de onbekende valleien van den staat Chiapas, naar de oevers
van de Usumacinta, en zelfs naar Guatemala te zenden. Tenosique is
daardoor de stapelplaats geworden voor alle produkten van dien aard,
die uit Guatemala komen, en de woonplaats van de geemploieerden der
beide huizen, die tot dusver dezen handel gemonopoliseerd hebben.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10
Copyright (c) 2007. topknownstories.com. All rights reserved.