Reis naar Yucatan written by Desire Charnay
D >>
Desire Charnay >> Reis naar Yucatan
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10
Wij mogen Chichen-Itza niet verlaten, zonder nog te spreken van de
beide beelden, op de bladz. 33 en 35 afgebeeld. Het eene is afkomstig
van Chichen, waar het eenige jaren geleden gevonden werd; het andere
is afkomstig uit den omtrek van Tlascala in de onmiddellijke nabijheid
van Mexiko: alzoo op grooten afstand van het eerste. Naar de meening
van doctor Hamy, waarmede ik mij geheel kan vereenigen, stellen de
beide beelden den tolteekschen god Tlaloc voor, den god van den regen
en den overvloed.
Een enkele blik op de beide beelden is voldoende om ons te overtuigen,
dat zij denzelfden persoon moeten voorstellen. Het verschil in de wijze
van bewerking doet niets ter zake: het is blijkbaar dezelfde persoon,
in dezelfde houding, met dezelfde kom op den buik om den regen op
te vangen, en hetzelfde soort van kapsel of hoofddeksel. Het eene
beeld is van kalksteen en het andere van basalt; dat uit den omtrek
van Tlascala is misschien van zuiver tolteekschen arbeid en dan zeer
oud; maar van waar het ook afkomstig moge zijn, het is zeer stellig
tolteeksch van karakter en verspreidt dus ook licht over het andere
beeld van Chichen-Itza.
Van Merida begeven wij ons naar Ticul in het zuiden, om vandaar uit
de fraaie ruinen van Kabah te bezoeken. Van dezen tocht is niets te
zeggen: het landschap van Yucatan is bij uitnemendheid eentonig,
de eene weg gelijkt volmaakt op den anderen. In deze streek zijn
de woningen of hofsteden minder ver van elkander verwijderd,
maar onderscheiden zich overigens niet van de haciendas in andere
streken. Als naar gewoonte, in den vroegen morgen vertrokken, komen
wij omstreeks negen uren te Uayalceh; de muildieren moeten eenige
rust nemen, en wij maken daarvan gebruik om te ontbijten.
In deze groote hofsteden moet men voor de genoten gastvrijheid betalen;
maar de reizigers worden er goed ontvangen; men beijvert zich om u
te bedienen en de prijzen zijn matig. Terwijl ons maal wordt gereed
gemaakt, gaan wij de hacienda bezien. Uayalceh is een indiaansch
woord, dat "de rust van het hert" beteekent; de dusgenoemde plantage
is waarschijnlijk de voornaamste in Yucatan. Men verbouwt hier, behalve
de noodige mais voor de voeding van het talrijke personeel, uitsluitend
henequen; dit gewas is trouwens winstgevend genoeg, want men verzekert
mij dat de netto opbrengst vijftigduizend piasters bedraagt, dat
is omstreeks tweehonderd-vijftigduizend francs. De hacienda is voor
een millioen te koop! Dat geeft dus eene rente van vijf-en-twintig
percent! Het spijt mij, dat ik geen millioen beschikbaar heb.
Op de hacienda leeft eene bevolking van niet minder dan twaalfhonderd
personen, die allen een of anderen arbeid verrichten. De kinderen
zijn in de woning, onder het opzicht van een ouden Indiaan, bezig met
het schoonmaken van een gewas, waarvan de naam mij onbekend is. Hun
vroolijk gezang weergalmt door het geheele huis. Vrouwen gaan en
komen, in lange rijen achter elkander, naar en van de noria, om de
waterkruiken te vullen, die zij op haar hoofd dragen. Men zou zich in
den tijd der aartsvaders verplaatst wanen, kwam niet de stoommachine
den indruk bederven.
Des avonds omstreeks vijf uren komen wij te Ticul, waar, door de
goede zorgen van onzen vriend Don Antonio Fajardo, voor ons een huis
in gereedheid is gebracht, dat wij aanstonds betrekken.
Ticul mag in waarheid eene stad worden genoemd; welvarend en mooi,
goed gelegen, niet ver van de heuvelreeks, die van het noordwesten
naar het zuidoosten het schiereiland doorsnijdt. Alle sporen van
den indiaanschen oorlog schijnen hier uitgewischt; alles ziet er
splinternieuw uit, uitgezonderd de kerk en het groote klooster, waar
de door Stephens zoo hoog geroemde abt Carillo woonde, en dat bijna
een bouwval is. Daar woont in een der haast niet bruikbare kamers de
nieuwe pastoor, een vroolijk, voorkomend, aangenaam man, de broeder
van den zoo even genoemden abt, van wien de amerikaansche reiziger
ons zoo veel goeds vertelt.
De inwoners van Ticul zijn zeer vriendelijk en ontvangen ons met
groote hartelijkheid. Evenmin als elders in Yucatan, vindt men ook
hier een hotel; maar in de kleine _tienda_, waarin wij onzen intrek
nemen, vonden wij eene goede bediening en eene vrij wat betere tafel
dan te Merida. Daar ontvangen wij geregeld bezoek van eenigen der
voornaamste burgers van Ticul, die ons helpen bij onze studie en met
wie wij onze avonden op de aangenaamste wijze doorbrengen.
Ons doel was in de eerste plaats de ruinen van Kabah te bezoeken, die
tot de hacienda Santa-Ana behooren; maar tusschen de hacienda en de
ruinen strekt zich een bosch van vier mijlen uit, waardoor geen enkele
weg loopt. Don Antonio geeft mij den raad eenige manschappen vooruit te
zenden, om een weg te banen; en op last van den burgemeester zal een
troep Indianen van het dorp Santa-Helena den arbeid verrichten. Wij
zullen twee dagen geduld moeten oefenen; en daar er op de hacienda
Yokat een feest of kermis zal worden gevierd, dringt de eigenaar,
die niemand anders is dan onze vriend Fajardo, er op aan, dat wij
daarbij tegenwoordig zullen zijn. Zoo gezegd, zoo gedaan.
Deze feesten in Yucatan worden zeer druk bezocht en lokken een
aantal menschen, ook al worden zij buiten op het land gevierd. Het
feest te Yokat moest drie dagen duren; stierengevechten, dansen,
maaltijden in de open lucht, kramen en tenten van allerlei soort,
niets zal er ontbreken; en van tien mijlen in den omtrek stroomt de
bevolking er heen. De weg is vol van voetgangers en _volans coches_:
deze wonderlijke rijtuigen, opgepropt met fraai uitgedoste vrouwen,
schijnen welhaast bewegelijke bloemenkorven.--De hacienda, mooi gelegen
aan den voet van een steilen heuvel, bestaat uit ruime gebouwen en
prachtige tuinen; de gelukkige eigenaar is zeer verheugd als ik hem
mijn oprecht gemeend compliment maak over zijne kostbare bezitting.
Wij wonen de mis bij, gevolgd door eene preek in de taal der Mayas, die
zeer zacht en welluidend klinkt; voor kapel dient eene lange galerij,
waar een groot aantal mooie vrouwen, in haar fraaie rijk geborduurde
kleederen en met gouden kettingen versierd, liggen neergeknield
of op den grond zitten; allen volgen met eerbiedige aandacht de
heilige handeling. Nauwelijks heeft de priester het _Ita missa est_
uitgesproken, of zij zweven weg, als een dartele vogelenzwerm.
Daarop volgden de voorstellingen; ik druk de kleine handjes der
koninginnen van het feest, drie jonge meisjes van vijftien tot achttien
jaar, waarvan de eene met volle recht eene schoonheid van den eersten
rang mag worden genoemd. Er worden ververschingen gepresenteerd;
en elke van deze bekoorlijke jonge meisjes komt haar rozenlipjes aan
mijn glas zetten: dit is zoo het gebruik.
Intusschen groeit de menigte van oogenblik tot oogenblik aan; zij vult
de ruime binnenplaatsen van de hacienda en het uitgestrekte terrein
voor de woning; daar bevindt zich de circus voor de stierengevechten,
een groot amphitheater van takken, met verwonderlijke vlugheid door
de Indianen in elkaar gezet. Het geheel bestaat uit planken, takken,
palmbladen, lianen, zonder een enkelen spijker: en toch zit alles
vast en zal dit luchtig getimmerte, zonder gevaar van bezwijken,
het gewicht kunnen torschen van ettelijke duizenden toeschouwers.
Daartegenover bevindt zich de balzaal, van takken en groen gemaakt;
en verder, in bonte wanorde door elkander, een aantal kraampjes
en winkeltjes, waar allerlei soorten van drank, vooral ook koppig
engelsch bier, worden verkocht, en waarvoor de dorstige klanten
elkaar verdringen. Er wordt sterk gedronken; de opgewondenheid neemt
hand over hand toe; het is een geraas, een geschreeuw een gejuich,
dat hooren en zien vergaat.
Het uur voor de stierengevechten is gekomen; de circus is overvol;
voor mij ligt de aantrekkelijkheid van het schouwspel minder in
de kampplaats, dan wel in het publiek, hoofdzakelijk bestaande uit
mestiezen-vrouwen, stralende van vreugde en genot, uitgedost in haar
fraaiste kleederen, schitterende in de bontste kleuren, in roode,
gele en blauwe borduursels, die zoo goed uitkomen tegen de sneeuwwitte
jurken, te midden van wolken van kant, waartusschen de gouden kettingen
en edelgesteenten vonkelen. Welk een betooverende aanblik! En, vreemd,
niet waar? er zijn daar ruim tweeduizend toeschouwers en daaronder
hoogstens drie- of vierhonderd mannen: men zou zeggen, dat men zich
in eene vergadering van dames bevond. Deze wanverhouding tusschen
het mannelijk en het vrouwelijk element is een verschijnsel, dat men
in alle heete landen aantreft, waar het blanke ras zich gevestigd
heeft. Op Java zijn van de zeven kinderen, die geboren worden,
gemiddeld vijf meisjes. Hier schijnt het verschil nog grooter: de
verhouding is hier, naar men zegt, van zeven of acht op tien. Mijn
gastheer heeft acht dochters en twee zoons; op eene bevolking van
honderd-elf-duizend blanken of mestiezen, zou men dus ter nauwernood
twee-en-twintigduizend mannen tellen. Deze schromelijke wanverhouding,
het onwedersprekelijk bewijs van den achteruitgang en de verbastering
van het ras, komt natuurlijk niet voor bij de indiaansche bevolking,
die op honderd-vijftigduizend zielen wordt geschat, en die dus het
evenwicht eenigermate zou helpen herstellen. Men moet echter ook
niet vergeten, dat de onophoudelijke burgeroorlogen en de langdurige
gevechten met de Indianen onder de mannelijke bevolking groote
verwoestingen hebben aangericht; misschien is ook daaraan voor een deel
het ontzaglijk overwicht van het vrouwelijk element toe te schrijven.
Vermoeid van het oorverdoovend geraas, van valsche muziek en eindeloos
herhaalde dansen, keer ik naar Ticul terug, waar ik tijding hoop te
vernemen van mijne werklieden. Bij mijne tehuiskomst hoor ik inderdaad
dat de weg naar de ruinen gebaand is, en dat ik vertrekken kan wanneer
het mij behaagt.
VII
Don Antonio gaat met ons naar de hacienda Santa-Ana, waarvan hij
administrateur is; wij zullen daar ons hoofdkwartier vestigen, en
de volans-coches zullen ons, langs den nieuw geopenden weg, naar de
ruinen brengen. Santa-Ana ligt vier mijlen van Ticul verwijderd;
Kabah ligt nog een mijl verder. Deze zeer oude nederzetting werd
gedurende den burgeroorlog verlaten, maar begint zich tegenwoordig
weder eenigzins te herstellen. De bouwmaterialen heeft men in de
onmiddellijke nabijheid voor het grijpen; zij zijn afkomstig uit een
groep belangrijke pyramiden, die vroeger met gebouwen waren gekroond,
welke thans geheel in puin liggen. Onder die materialen merken wij
vierkante, geheel nieuwe pilaren op, met dorische kapiteelen; en,
hetgeen opmerkelijk is, de kanten dezer pilaren zijn even als onze
steenen behouwen en vertoonen de duidelijke sporen van een metalen
werktuig, dat van tanden moest zijn voorzien. Het schijnt mij
onaannemelijk, dat deze pyramiden, tempels en paleizen, met hunne
beeldwerken en bas-reliefs, met behulp van steenen werktuigen zouden
zijn vervaardigd: de Indianen moeten, om zulke werken te hebben kunnen
voltooien, in het bezit zijn geweest van metalen instrumenten. Zij
gebruikten, naar het schijnt, bijlen en andere werktuigen van koper
met tin gemengd, die bijzonder hard moeten zijn geweest.
De geschiedschrijvers maken ter nauwernood gewag van de ruinen van
Kabah, evenmin als van die van Labnah, Sacbey, Iturbide en vele
andere groepen van oude dorpen, op den afstand van dertig of veertig
mijlen ten zuiden van Merida; nu en dan spreken zij van de vorsten
dier vlekken als van de lieden van de Sierra, omdat deze vlekken
of steden aan de andere zijde waren gelegen van de heuvelketen,
die Yucatan doorsnijdt.
Te oordeelen naar hare monumenten, moet Kabah echter eene van
de belangrijkste steden van het schiereiland zijn geweest; hooge
pyramiden, reusachtige terrassen met indrukwekkende ruinen bedekt,
triomfbogen, paleizen, beslaan eene aanzienlijke oppervlakte. Deze
gebouwen, met die van Uxmal, welke wij zoo aanstonds zullen bezoeken,
en die van Chichen-Itza, welke wij reeds kennen, kunnen ons een
volledig denkbeeld geven van de architektuur in Yucatan, en leveren
tevens het afdoend bewijs voor de eenheid der beschaving in het
schiereiland.
Al deze monumenten, van de oudste tot de jongste, hebben denzelfden
oorsprong, zijn afkomstig van hetzelfde volk en vertoonen allen,
met eenige varianten, denzelfden karaktertrek. Zie het eerste paleis
van Kabah: de voorgevel is op de weelderigste wijze versierd, maar wij
vinden hier dezelfde kolossale figuren terug, die wij te Chichen hebben
gezien, en die het best zijn te vergelijken met die reusachtige houten
afgodsbeelden, uit boven elkander geplaatste hoofden bestaande, die van
de eilanden in den Stillen-oceaan afkomstig zijn. De versiering van dit
monument is tot in het buitensporige overdreven: de architektonische
lijnen, ja ik zou bijna zeggen, het gebouw zelf verdwijnt geheel en
al, om plaats te maken voor ornamenten. De zeer vervallen toestand,
waarin het monument verkeert, laat niet meer toe, een oordeel over het
geheel te vellen; maar deze vijftig el breede voorgevel met zijne alles
overstelpende dekoratie moet een zonderlingen indruk hebben gemaakt.
Evenals alle monumenten in Yucatan, verrees ook dit paleis op
eene pyramide van twee verdiepingen; voor het gebouw strekte zich
eene ruime esplanade uit, waarop zich ter wederzijde twee breede
waterbakken bevonden en in het midden de zuil voor de strafoefeningen,
de _picote_. Het inwendige van het paleis bevat eene dubbele reeks
van zalen, de schoonste, die wij nog gezien hebben. Zij hebben eene
lengte van ongeveer negen, bij eene breedte van ruim drie el, en zijn
zes el hoog. In alle zalen waren de wanden beschilderd en met beelden
en opschriften bedekt, zoo als blijkt uit de brokstukken die ons nog
zijn overgebleven: het is zelfs waarschijnlijk, dat de gebouwen geheel
beschilderd waren. De polychromie was dus bij de Yucateken in gebruik,
even als bij de volken der oude wereld. Ook bij hen werd, even als
in de klassieke oudheid, de schilderkunst nooit van de bouwkunst
gescheiden: die beide kunsten vulden elkander aan, en hetgeen wij nu
eene schilderij noemen, bekleedde toen slechts eene zeer onderschikte
plaats. Ook hier besteedde de kunstenaar zijne voornaamste zorg aan
de uitwendige dekoratie; en die levendige sprekende kleuren, in zoo
weelderigen rijkdom aangebracht op de breede gevels, moeten, met de
warreling der monsterachtige figuren, niet weinig hebben bijgedragen
tot verhooging van de zeker echt barbaarsche pracht dezer wonderlijke
gebouwen.
Het tweede paleis ligt honderd-vijftig el ten noordoosten van het
eerste; het verheft zich evenzoo op eene pyramide, en heeft ook
zijne esplanade met twee waterbakken en een _picote_; maar het staat
bovendien op een tweede terras, dat eene reeks zalen bevat, die geheel
zijn verwoest. In het midden bevindt zich de trap, gedragen door een
soort van gewelf, die toegang geeft tot het gebouw.
Dit zeer lage paleis--de hoogte bedraagt niet meer dan vijf
el--onderscheidt zich door zijn eenvoud, tegenover de overladen
versiering van het andere. De gevel, die bijna nog in zijn geheel
aanwezig is, heeft eene breedte van vijftig el; in dien gevel zijn
zeven openingen, waarvan twee toegang geven tot twee kleine en
nauwe vertrekjes. Het benedenste gedeelte van den muur is zonder
versiering; de fries boven de weinig uitstekende kroonlijst bestaat
uit kleine zuilen, bij drietallen gegroepeerd, met een vlakken muur
tusschenbeiden. Het achterste gedeelte van het paleis is geheel
vernield.
Links van dit monument verrijst eene pyramide met verschillende
verdiepingen, voorzien van vier trappen, die naar de bovenste terrassen
voerden, waar de gebouwen geheel in puin liggen. Deze pyramide is
omringd door vertrekken van verschillende afmetingen, waarvan de deuren
of toegangen soms door pilaren in tweeen gescheiden zijn. De posten
en drempels der deuren zijn van steen, even als in het tweede paleis;
voor het meerendeel zijn die posten zeer goed bewaard gebleven.
Omtrent de geschiedenis van Kabah verkeeren wij niet ten eenemale in
het duister. Wij zeiden reeds, dat bij de verschijning der Spanjaarden,
Yucatan in verschillende onafhankelijke vorstendommen of heerlijkheden
was verdeeld. Maar een eeuw vroeger voerde de vorst van eene zekere
stad, Mayapan genoemd, den schepter over het geheele schiereiland:
hij had de aan zijn vorstendom grenzende gewesten onderworpen en,
als naar gewoonte, hunne hoofdsteden verwoest. De caciquen van de
Sierra, waartoe ook de vorsten van Kabah, Uxmal enz. behoorden,
waren onder de verwonnelingen.
De vorst van Mayapan kon zijn gezag alleen staande houden met behulp
van eene mexikaansche bezetting: dit geeft ons een datum. Wij
weten namelijk dat de Azteken schatplichtig waren aan den koning
van Azcapozalco, en dat zij eerst onder de regeering van Itzcoatl,
omstreeks het jaar 1425, hunne onafhankelijkheid herwonnen; dat zij
echter eerst onder de regeering van Montezuma I, omstreeks 1440,
invloed verwierven en veroverend optraden; zij konden dus eerst in
dezen tijd aan den vorst van Mayapan hulptroepen zenden.
Om zijne heerschappij te verzekeren en zijne vazallen in onderwerping
te houden, dwong de koning van Mayapan de hoofden der voornaamste
familien om als gijzelaars aan zijn hof te vertoeven; het juk der
overheersching drukte des te zwaarder en scheen te hatelijker, omdat
de overwinnaar steunde op de hulp van vreemde soldaten. De andere
vorsten sloten onderling een verbond, waaraan ook de bewoners van
de Sierra deelnamen; het kwam tot een oorlog; de koning van Mayapan
werd overwonnen en zijne stad geheel verwoest. De gevangen gehouden
caciquen keerden naar hunne woonsteden terug.
Dit geschiedde in 1420, volgens Landa; maar volgens Herrera, wiens
chronologie veel juister schijnt en door beter bewijzen gestaafd, in
1460. "Volgens hem verliepen er zeventig jaar tusschen de verwoesting
van Mayapan en de komst der Spanjaarden: Montejo nu hield van 1528
tot 1531 Chichen bezet. Herrera verzekert ook, dat na de verdeeling
van het land in onafhankelijke gewesten, de bevolking zich zoo sterk
vermenigvuldigde, dat het geheele land slechts eene enkele stad scheen;
men bouwde overal tempels en paleizen: "het is daarom dat er zoo velen
van zijn." Ook Landa zegt hetzelfde: ook hij verzekert dat de bevolking
buitengewoon toenam en dat er tempels in menigte gebouwd werden,
"zoodat men die heden nog overal ziet, en dat men in de bosschen,
te midden van het woud, groepen van huizen en verwonderlijk schoon
bewerkte paleizen vindt."
De monumenten, waarvan wij de ruinen nog heden kunnen bestudeeren,
zijn dus in geenen deele uit lang vervlogen eeuwen, uit voorhistorische
tijden afkomstig.
De weg van Kabah naar Santa-Helena is een der beste, die wij nog
ontmoet hebben: hij is vrij breed, goed belommerd en niet al te
oneffen. Was deze bruikbare weg voor ons reeds eene verrassing,
eene nog grootere wachtte ons, toen wij het prachtige indiaansche
dorp Santa-Helena bereikten.
Dit dorp beslaat eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds, die,
even als eene nieuwerwetsche stad, in regelmatige vierkante
vakken is verdeeld; elk vak, met groote boomen beplant, is weder
gesplitst in perceelen van ongeveer tweeduizend el in oppervlakte,
omringd door muren van gedroogden steen, waarop de woning van den
eigenaar staat. Eenige bloeiende heesters en vruchtboomen vormen
kleine bosschages, en nabij de woning ziet ge een soort van groote
horde van rijswerk, twee meter in het vierkant en op palen rustende,
waarover een laag teelaarde is gespreid. In dit hangende tuintje
kweekt de eigenaar bloemen en eenige groenten. Een zwerm van gevogelte
stoffeert het stille plekje: het gekakel van kippen, het gekwaak van
eenden en het geklok van kalkoenen vermengt zich met het geknor van
varkens. Alles teekent welvaart, bijna overvloed.
Dit dorp was voor mij bijna eene openbaring uit het verleden. Zoo moet,
zeide ik tot mij zelven, een dorp der Mayas er hebben uitgezien. Uit
hetgeen wij voor oogen hebben, kunnen wij zonder moeite en met meer dan
waarschijnlijkheid tot de vroegere toestanden besluiten; de eeuwenoude
traditien, de overgeerfde begrippen en voorstellingen, geheel de
omgeving oefenen een zoo machtigen invloed op de menschen uit, dat er
in de indiaansche organisatie niet veel veranderd kan zijn. Van waar
zou ook zulke verandering gekomen zijn? De Spanjaarden hebben wel,
ook in Yucatan, hunne godsdienst ingevoerd, en dat geschiedde meer
door geweld, dan langs den weg der overtuiging; maar zij konden noch
de bebouwing des lands, noch de kleederdracht, noch de zeden, noch
de taal veranderen. Zij zelven ondergingen, door de aanraking met het
onderworpen ras, gaandeweg eene zeer wezenlijke verandering; en indien
het hun al gelukte de plaats in te nemen van de oude beheerschers des
lands, zoo traden zij toch onder menig opzicht, eenvoudig in hun spoor.
Yucatan was eene feodaliteit, waarvan de sporen nog geheel te
herkennen zijn; overal langs de wegen en in de bosschen, vindt men
de overblijfselen van meer of minder belangrijke gebouwen, die het
middelpunt vormden van eene nederzetting, van eene groote plantage:
de twee, drie of vier pyramiden, vroeger met monumenten bedekt,
stellen ons nog in staat ons een denkbeeld te maken van de macht en
het aanzien van den cacique, die daar weleer zijn zetel had.
Tegenwoordig zijn die nederzettingen ongetwijfeld minder talrijk en
minder belangrijk, want de bevolking is tot minder dan een tiende
geslonken, dank zij het vaderlijk regeeringsstelsel der veroveraars;
maar de steden, dorpen en haciendas hebben dezelfde bestemming en
staan nog op de oude plaats: daar zijn er maar weinigen, in wier
onmiddellijke nabijheid men geen ruinen vindt en die niet zijn gebouwd
met de materialen, van de vroegere monumenten afkomstig. Overal
heeft de Spanjaard de plaats ingenomen van den overwonnen cacique;
er is niets veranderd, dan alleen dat de oude adellijke familie tot
armoede en slavernij is vervallen.
In het wezen der zaak is niets veranderd: de hacienda met haar gebouwen
in spaansch-moorschen stijl heeft de plaats ingenomen van het paleis
der vorsten of de nederiger woning van den edelman. Maar even als
vroeger, omgeven de hutten der arbeiders en onderhoorigen ook nu het
huis van den heer, en die hutten vertoonen nog heden het beeld der
vroegeren: ook zij zijn langwerpig van vorm, met riet gedekt, en,
wanneer de bewoner maar eenigszins welgesteld is, versierd met die
kleine ruitvormige teekeningen, eene flauwe afschaduwing der rijke
dekoratie van de paleizen der vroegere vorsten.--Alleen de godsdienst
is veranderd: de kerk heeft den tempel verdrongen: maar wie zal zeggen,
in welke mate de oude heidensche wereldbeschouwing nog leeft in de
harten dezes volks? Van Santa-Helena begeven wij ons naar Uxmal, waar
ons de administrateur, Don Luiz Perez, wachtte. De hacienda is niet
meer de verlaten, eenzame woning van voorheen: er heerscht thans leven
en beweging, en overal is alles in volle werkzaamheid. In plaats van
eene eenvoudige hut, aanschouwt ge een statig gebouw, dat ruime zalen
en vertrekken bevat en met eene op kolommen rustende veranda prijkt. In
de werkplaats zijn dag en nacht honderden Indianen aan den arbeid; een
spoorweg loopt van de hacienda naar de plantages en de met muildieren
bespannen wagens voeren onophoudelijk vrachten suikerriet aan; er is
een rustelooze beweging, een komen en gaan van menschen en paarden
en vee: alles teekent leven en welvaart. Maar evenals vroeger, is de
woning ongezond; en de majordomo klaagt bitter over de sluipkoortsen,
die zijne gezondheid ondermijnen.
De ruinen zijn twee mijlen van de hacienda verwijderd.
Uxmal, de mededingster van Chichen, is reeds meermalen beschreven;
wij zullen ons dus hier tot het voornaamste bepalen. Daaronder komt
de eerste plaats toe aan het zoogenaamde paleis van den gouverneur,
buiten kijf het grootste en het prachtigste van alle oude monumenten
in Amerika; zijne ligging op drie opeenvolgende terrassen verhoogt nog
het effekt van dit tegelijk sobere en rijke gebouw. Hoewel sedert drie
eeuwen verlaten, schijnt dit paleis nog bijna nieuw; het zou geheel
ongeschonden zijn, indien de vroegere eigenaars niet de steenen van
het onderste gedeelte hadden laten weghalen om daarmede hunne hacienda
te bouwen.
Het zoogenaamde paleis der nonnen beslaat een groot parallelogram,
gevormd door vier fraaie gebouwen, wier bij uitnemendheid rijke
ornamentatie aanstonds de aandacht trekt. De noordelijke vleugel van
dit paleis bevat een stuk van een kleiner en ongetwijfeld ouder gebouw:
naar men vermoedt, zou dit het overblijfsel zijn van een paleis,
dat deel uitmaakte van eene vroegere stad Uxmal, die, naar men zegt,
verwoest werd. Het laatste paleis dagteekent vermoedelijk uit den
tijd na den val van Mayapan.
Het huis van den Dwerg, ook het huis van den Waarzegger genoemd,
is een zeer fraaie tempel op den top eener zeer steile pyramide,
die eene hoogte bereikt van bijkans honderd voet. De tempel bestaat
uit twee gedeelten: het eene staat op het bovenste terras; het
andere is bij wijze van souterrain daartegen aangebouwd en met den
gevel naar het westen gekeerd. Deze soort van kapel was zeer rijk
versierd en waarschijnlijk aan den dienst van een der voornaamste
goden gewijd. Twee groote trappen, een ten oosten en een ten westen,
voeren naar de beide gebouwen.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10