Clenched fists and AK-47s
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Decoding the Heavens: Solving the Mystery of the World's First Computer by Jo Marchant review
Ad - Free Shipping on purchases over $59.95 of products online at Tennis Express.

The Natural History of Unicorns by Chris Lavers review
IF THE devil has the best tunes, radicals make the best posters. In Lebanon the propaganda posters of Hizbullah and its allies are a heady mix of bright colour, simple logos and distinctively Arab calligraphy and portraits. The government commissioned

A / B / C / D / E / F / G / H / I / J / K / L / M / N / O / P / R / S / T / U / V / W / Y / Z

Reis naar Yucatan written by Desire Charnay

D >> Desire Charnay >> Reis naar Yucatan

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10



--Maar," hernam ik, "dat is voor die lieden de ondergang; wat moeten
zij daarna beginnen?

--Precies hetzelfde wat zij te voren deden," antwoordde de rechter;
"zij keeren tot hunne milpas, dat wil zeggen hunne plantages, terug. Is
de oogst overvloedig, dan leven zij op den ouden voet voort, telkens
eenige stuivers besparende om op hunne beurt een feest te kunnen geven;
mislukt de oogst, dan binden zij hun maag toe; is er hongersnood,
dan sterven zij van gebrek. De zorg voor den dag van morgen is hun,
als allen onbeschaafden volken, ten eenemale vreemd, en de bitterste
ervaringen zijn machteloos om hen op dit punt te genezen."

Deze feestelijke plechtigheid is voor ons een nieuw bewijs voor de
taaie levenskracht der aloude traditien, waaraan men vasthoudt, ook al
verstaat en begrijpt men ze sinds lang niet meer. Gij zoudt vergeefs
tot deze lieden de vraag richten, vanwaar zij de zonderlinge gewoonte
hebben om voor zulk een feest al hun geld uit te geven? Zij zouden
u op die vraag niet kunnen antwoorden: wij moeten het voor hen doen.

Wij vinden bij Landa een bericht, dat ons licht geeft. Na gesproken
te hebben van de slemppartijen der Mayas en hunnen hartstocht voor
feesten en gemeenschappelijke maaltijden, gaat de geschiedschrijver
aldus voort:

"Zij verteerden dikwijls bij een enkel feest alles wat zij gedurende
een langen tijd met zwaren arbeid gewonnen hadden. Zij vierden hunne
feesten op tweeerlei wijze. De eerste gold voor de edelen en de lieden
van aanzien: het gebruik wilde dat ieder der gasten, op zijne beurt,
een feest gaf gelijk aan dat waarop hij genoodigd was. Aan elk der
gasten gaf men een gebraden kip, brood en uit cacao bereiden drank
in overvloed; en na afloop van den maaltijd, een mantel om zich te
bedekken en een kleinen piedestal met een daarop geplaatsten beker,
die zoo fraai mogelijk bewerkt was. Kwam een der gasten inmiddels te
sterven, dan ging de verplichting om den maaltijd te geven op zijne
erfgenamen of familie over."--Is dat niet hetzelfde gebruik, hetwelk,
zoo als wij zien, nog heden heerscht? En verder: "Bij deze maaltijden
werd den gasten te drinken gegeven door schoone vrouwen, die, na hun
den beker toegereikt te hebben, zich omkeerden en zoo met afgewend
gelaat wachtten tot de gast den beker geledigd had. De indiaansche
vrouwen volgen nog dezelfde gewoonte, als zij haar mannen bedienen."

Wij verlaten vroegtijdig het bal, want wij moeten morgen ochtend
vroeg vertrekken. Onze manschappen zijn gereed; muildieren en dragers
hebben hun vracht; de paarden zijn gezadeld; een deel van het militair
geleide gaat als voorhoede op weg; wij volgen. Het pad is de oude weg
naar Piste, die nu bijna geheel is dichtgegroeid, zoodat wij achter
elkander moeten loopen en niet dan met moeite voortkomen. De tocht
is vrij vervelend: wij trekken altijd door het dichte kreupelhout,
vol lianen en doornen, waarboven slechts enkele palmen en hoogstammige
boomen zich verheffen.

Wij komen te Piste, waarvan niets meer over is dan de gehavende
en vervallen kerk, waarin thans eene afdeeling van vijf-en-twintig
soldaten is gelegerd, als een uiterste voorpost tegen de Indianen. De
manschappen moeten drie maanden in deze wildernis blijven, eer
zij afgelost worden. Het gevaar is niet groot, want de Indianen,
die opgestaan waren om hunne vrijheid te heroveren en uit wraak hun
overwonnen vijanden vermoordden, gaan nu nog maar alleen op roof uit.


V


Het was laat in den namiddag, toen wij de ruinen bereikten. Hoewel ik
vroeger reeds tweemalen te Chichen was geweest, doortrilde mij toch
een gevoel van blijde verrassing, toen ik in de verte het dusgenoemde
Castillo ontdekte, tronende op zijne steile pyramide van zeventig
voet hoogte.

Wij hadden nauwelijks tijd gehad, ons in het Castillo te installeeren,
toen de avond viel. Het was een aangrijpend schouwspel. Statig dreef
de maan aan den onbewolkten, met tintelende sterren bezaaiden hemel,
en goot haar licht uit over de eindelooze met bosch bedekte vlakte;
op den voorgrond teekenden zich de grillige gestalten van muren of
dichtbegroeide heuvels en terpen. Met deze ruinen bekend, kon ik mijn
reisgenooten elk monument aanwijzen.

Het Castillo vormt het middelpunt der ruinen; ten oosten, aan den
voet der pyramide, lag het marktplein, met twee kleine, daartoe
behoorende paleizen; ten noorden, de ruinen van een fraai gebouw
en de gewijde cenote, met den tempel ter bewaking van het bassin;
ten noordwesten de beroemde Kaatsbaan; ten oosten en ten zuidoosten,
de Chichanchob, de Caracol, de tweede cenote, het paleis der Nonnen,
de Akab-sib, en verder, de sedert lang verlaten hacienda. Wij spraken
half fluisterend over het geheimzinnig verleden van die doode stad,
die wij zouden trachten uit het graf op te roepen; geen enkel geluid
steeg uit de wijde vlakte tot ons op: alom een plechtige stilte als
op een kerkhof, slechts nu en dan afgebroken door het geroep der
schildwachten, die met geregelde tusschenpoozen elkander waarschuwden.

Toen de dag was aangebroken, vertoonde zich een ander schouwspel,
niet minder schoon. De vlakte, geheel met een dichten nevel overdekt,
waarboven de pyramiden en de begroeide terpen uitstaken, scheen een
kalme zee, met groene eilanden bezaaid; de horizon tooide zich, bij
het rijzende licht, met de heerlijkste kleuren; lichte, doorschijnende
nevelwolkjes zweefden door de ruimte, telkens wisselend van vorm en
tint. Eindelijk verscheurde zich de nevelsluier en smolt weg voor
de zonnestralen, niets achterlatende dan de schitterende droppels,
als diamanten over de bladeren van het geboomte verspreid.

De zoogenoemde steden der Mayas verschilden ten eenemale van onze
tegenwoordige steden; de Spanjaarden vergeleken de eerste steden,
die zij hier zagen, met de steden in hun vaderland, met Sevilla bij
voorbeeld; maar deze vaak herhaalde vergelijking is toch verre van
juist. Voor zoo ver wij daarover thans, naar de overblijfselen, kunnen
oordeelen, bestonden deze steden uit eenige groepen van gebouwen, die
wij overal terugvinden, namelijk: een of meer tempels, de paleizen van
den vorst en van de caciquen of hoofden, en gebouwen voor de openbare
dienst bestemd. Deze groepen waren, schijnbaar zonder plan of orde,
over eene aanmerkelijke oppervlakte verspreid; de tusschenruimten
werden ingenomen door tuinen, waartusschen met cement geplaveide
wegen liepen; in den omtrek stonden de hutten der bedienden en slaven.

Chichen-Itza--dat wil zeggen, nabij de put van de Itza--ontleent haar
naam aan den cenote of de twee cenotes, aan welker zoom de bevolking
zich had neergezet. Chichen is jonger dan Izamal en Ake, maar ouder
dan Uxmal: evenals deze laatste stad, behoort zij tot den tijd, toen
men bij het bouwen geen cement, maar gehouwen steenen gebruikte. De
berichten, die wij omtrent de stad bezitten, zijn zeer schraal en zeer
onzeker, zoo als trouwens alles wat wij aangaande Yucatan weten. Dit
alleen is met zekerheid bekend, dat Chichen, omstreeks de helft
der vijftiende eeuw, door hare inwoners verlaten werd. De bevolking
verhuisde in massa--de oorzaak dier verhuizing is onbekend--en stichtte
in de lagune van Peten, ruim honderd mijlen meer zuidwaarts, een klein
vorstendom, waarvan de hoofdstad Tayasal werd genoemd, dat door Cortez
op zijn tocht naar Honduras werd bezocht, en dat eerst in 1697--alzoo,
nog geen tweehonderd jaar geleden--door de Spanjaarden werd veroverd.

"Wij weten dus dat Chichen, omstreeks zestig jaar voor de aankomst
der Spanjaarden nog bewoond was, en dat hare monumenten toen nog
ongeschonden in wezen waren. Het is trouwens meer dan waarschijnlijk,
dat deze stad, die bevoorrecht was niet twee groote en onuitputtelijke
water-reservoirs--een onschatbaar bezit in een land, dat van water
is ontbloot,--al spoedig nadat zij door hare inwoners verlaten was,
op nieuw bevolkt werd en dat zij aldus haar leven voortzette tot op
het tijdstip der verovering.

De eerste bezetting door de Spanjaarden had plaats in 1527. Montejo
landde, tegenover het eiland Cozumel, op de oostkust van Yucatan,
met vierhonderd soldaten. Hij liet zijne schepen achter, onder de
hoede der matrozen, en trok, onder het geleide van een Indiaan van
Cozumel, naar het binnenland: dit verhaalt de Bachiler Valencia,
die zijn verhaal schreef in 1639, te Valladolid woonde en van een
der veroveraars afstamde. Bovendien blijkt ten duidelijkste uit de
namen der steden, die Montejo doortrok, dat de expeditie haar weg nam
van het oosten naar het westen; bij de tweede expeditie daarentegen,
in 1541, toen de Spanjaarden te Champoton landden, trokken zij van
het westen naar het oosten.

Montejo kwam te Coni, dat van de kaart verdwenen is, trok door de
provincie Choaca, en bereikte Kaba; van Kaba begaf hij zich naar Ake,
een dorp, dat, zoo als wij reeds opmerkten, niet moet worden verward
met de stad Ake, waarvan wij de ruinen hebben bezocht. Daar stuitte hij
op eene talrijke menigte Indianen, die hem den weg wilden versperren;
het kwam tot een gevecht, het bloedigste dat de Spanjaarden hadden
te leveren; en voor de eerste maal leerde Montejo het dappere volk
kennen, waartegen hij te kampen zou hebben. Ondanks hunne vuurwapenen,
die vreeselijke verwoestingen aanrichtten in de dichte drommen der
Indianen, ondanks hunne ijzeren harnassen, die hen bijna onkwetsbaar
maakten, moesten de Spanjaarden twee dagen achtereen vechten, om
den hardnekkigen tegenstand hunner vijanden te overwinnen. Van Ake
begaf Montejo zich naar Chichen-Itza, dat men hem, volgens Herrera,
had aangewezen als eene bij uitnemendheid geschikte plaats om zich
daar te vestigen. De stad was dus bewoond. Montejo nam te Chichen
zijn intrek in de gebouwen, waarvan wij nader zullen spreken; hij
vestigde zich daar te midden van eene bevolking, die ten gevolge van
het vreeselijke gevecht bij Ake, door den schrik als verlamd was.

In den eersten tijd ondervonden de Spanjaarden dus geene moeilijkheden
en ontbrak het hun aan niets; maar allengs begon het den Indianen te
verdrieten, in het onderhoud te moeten voorzien van deze vreemden,
die ieder per dag meer gebruikten dan voor het onderhoud eener
geheele indiaansche familie gedurende eene maand noodig was;
zij weigerden zich langer te onderwerpen aan de afpersingen en
wreede mishandelingen van deze bandieten. Nu werden niet langer
levensmiddelen naar het kamp gebracht; eindelijk verdwenen de
Indianen, de veroveraars in eene eenzame wildernis achterlatende. Op
den overvloed van straks volgde nu gebrek en hongersnood; om zich
levensmiddelen te verschaffen, moesten de Spanjaarden verre tochten
naar de omliggende dorpen ondernemen en daar met geweld nemen, wat men
hun niet vrijwillig wilde afstaan: van daar onophoudelijke gevechten;
de Spanjaarden hadden honderd-vijftig hunner manschappen verloren,
en de overgeblevenen waren allen gewond. Montejo, die waarschijnlijk
de gemeenschap met zijne schepen had onderhouden, zag zich genoopt tot
den terugtocht. Het omliggende land was geheel door Indianen bezet,
en de terugtocht werd uiterst bezwaarlijk. Na een bloedig gevecht,
waarin Montejo een deel van zijne beste manschappen verloren had,
volgde een zeer donkere nacht, die bij uitstek gunstig scheen voor
de vlucht. Hij beval de grootst mogelijke stilte, liet de hoeven
der paarden omwikkelen, opdat men hen op den rotsigen grond niet
hooren zou; om de waakzaamheid der Indianen te verschalken, liet hij
vervolgens een zijner honden aan een buigzamen paal, waaraan een bel
bevestigd was, vastbinden; en op eenigen afstand, buiten het bereik
van den hond, een stuk vleesch nederleggen, dat het hongerige dier
vergeefs trachtte te bereiken. Het gelui van de bel en het janken
van den hond brachten de Mayas in den waan, dat hunne vijanden nog
steeds in hun kamp waren. Inmiddels trokken de Spanjaarden in alle
stilte naar het noorden, in de richting van Cilan. Toen het dag werd,
bespeurden de Indianen dat zij misleid waren geworden: woedend zetten
zij de vluchtelingen na, die niet dan met groote moeite de zeekust
en het grondgebied van een vredelievenden vorst bereikten, die hun
eene schuilplaats bood.

Het paleis der Nonnen (el palacio de las Monjas) is een der
voornaamste paleizen van Chichen-Itza; men heeft er een klooster van
gemaakt, evenals van het groote gebouw te Uxmal, dat denzelfden naam
draagt. Sommige schrijvers verhalen namelijk, dat bij de Azteken
in Mexico de gewoonte heerschte, om jonge meisjes van aanzienlijke
familie en omstreeks twaalf jaren oud, gedurende zekeren tijd aan de
goden te wijden. De meesten verlieten den tempel om in het huwelijk
te treden; sommigen verbonden zich, door plechtige gelofte, voor
haar geheele leven. Sahagun deelt mede dat deze meisjes, kleine
priesteressen of zusters genoemd, in de bijgebouwen van den tempel
woonden, onder streng opzicht van daartoe aangestelde vrouwen; zij
leidden daar een kloosterleven, en waren aan zeer strenge regelen
onderworpen. Haar hair werd afgeknipt; zij moesten des nachts opstaan
om te bidden en den tempel te reinigen; zij vastten bijna onophoudelijk
en pijnigden en martelden zichzelven op allerlei wijze ter eere der
goden. Zij doorboorden zich de tong en de ooren met scherpe doornen,
sliepen steeds geheel gekleed, om elk oogenblik haar arbeid te
kunnen hervatten, gingen altijd met neergeslagen oogen, en moesten
de doodstraf ondergaan voor iedere inbreuk op de strenge regelen der
godsdienstige tucht. Zij waren dus inderdaad nonnen.

Het paleis bestond uit een middengebouw en twee vleugels; de plaat op
bladz. 37 geeft den voorgevel van den linkervleugel te aanschouwen,
die zeer schoon en uitmuntend goed bewaard is gebleven. Deze facade
bestaat uit drie vooruitspringende lijsten, die twee friesen begrenzen,
waarvan de versiering uit dezelfde motieven is saamgesteld. Op de
eerste fries ziet men twee omlijste hoog-reliefs, waarop mannen zijn
voorgesteld in neergehurkte houding; het lichaam van den een is gevat
in de schaal van een schildpad; de reusachtige, groteske figuren in het
midden en aan de hoeken van de eerste fries vindt men ook aan de facade
van het hoofdgebouw, en met geringe wijzigingen op alle monumenten
van Yucatan.--Het hoofdgebouw van het paleis der Nonnen leunt tegen
eene pyramide, op welker terras of platform een zeer net bewerkt gebouw
verrijst, bevattende kleine kamers met twee nissen tegenover elke deur,
en gescheiden door een gang, die op den westelijken uithoek van de
pyramide uitkomt. Op dit tweede gebouw rust nog een derde van kleiner
afmetingen: het geheel vormt dus een paleis van drie verdiepingen.

Wij keeren terug tot het gebouw waarin wij onzen intrek genomen
hebben, dat ten onrechte den naam van Castillo draagt en eigenlijk een
tempel was. Het rust op eene pyramide met vier trappen, naar de vier
windstreken gekeerd; de plaat op bladz. 40 stelt den westelijken gevel
voor. De pyramide, waarvan de basis vier-en-vijftig meters bedraagt,
bestaat uit negen terrassen, door loodrechte muren gedragen; zij is
gekroond met een gebouw, waarvan de zijden ongeveer twaalf el lang en
breed zijn, bij eene hoogte van zes el vijftig duim. Het bovenvlak
van de pyramide verheft zich een-en-twintig el boven de vlakte;
de trap bestaat uit negentig treden van ongeveer twaalf el breed.

Uit deze constructie blijkt dat de naam van Castillo, kasteel, vesting,
nog niet zoo ten eenemale onjuist is: immers zoowel in Yucatan als op
de hoogvlakten, dienden de tempels in tijd van oorlog als vestingen;
op die reusachtige trappen en terrassen verzamelden zich, in den
uitersten nood, de uitgelezenste krijgslieden, om den zegevierenden
vijand tegen te houden en hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De
verdediging van zulk eene vesting kon lang worden volgehouden; en
wanneer de bezetting inderdaad uit onverschrokken mannen bestond,
die tot sterven bereid waren, dan moest de bestorming van elk dezer
terrassen stroomen bloeds kosten. Wij zien daarvan een voorbeeld
bij de bestorming van den grooten tempel te Mexico: de Spanjaarden
werden bij herhaling terug geslagen, en Cortez moest zich zelf aan de
spits zijner soldaten plaatsen, om achtereenvolgens de vier terrassen
der pyramide te veroveren; het gevecht werd nog voortgezet op het
bovenste plat, waar zich de Azteken hadden vereenigd, die tot den
laatsten man werden gedood.

De noordelijke facade, die tevens de voornaamste was, moest, nog
ongeschonden, een grootschen indruk maken. Zij bestaat uit eene portiek
met twee massieve kolommen, onderling verbonden door houten lijsten,
waarop de dubbele kroonlijst van de fries rust, in het midden versierd
met een groot medaillon. Deze portiek geeft toegang tot eene galerij,
die de geheele breedte van het gebouw inneemt; uit de galerij komt men
door eene enkele deur in een groot vertrek, zeer waarschijnlijk het
heiligdom, waarvan het dubbele gewelf gedragen werd door twee pilaren
met vierkante kapiteelen. De trap tegenover deze facade was breeder
dan die aan de drie anderen; ter wederzijde zag men, bij wijze van
leuning, een reusachtige gevederde slang, van onderen uitloopende in
een monsterachtigen kop met wijd geopenden bek en uithangende tong. De
kolommen, de pilaren, de deurposten en houten lijsten zijn bedekt met
beeldhouwwerk en bas-reliefs. Even als de paleizen te Mexico en te
Palenque, hadden ook de paleizen te Chichen geene deuren, maar werden
de openingen slechts met matten of gordijnen gesloten; men vindt dan
ook geen sporen van scharnieren, maar wel kleine gaten in de zuilen,
waarin de koorden voor de gordijnen werden vastgemaakt.

Toen Landa omstreeks 1560 Chichen bezocht, was deze voorgevel nog
ongeschonden; geen steen ontbrak aan de negen terrassen van de
pyramide, en de tempel vertoonde zich nog zoo als hij uit de hand
der bouwmeesters was gekomen. Landa maakt ook gewag van de twee
slangen ter wederzijde van de groote trap. "De galerij diende voor het
ontsteken van reukwerk, en boven de deur ziet men een groot in steen
uitgehouwen medaillon, waarvan de beteekenis mij onbekend is. Rondom
dit gebouw bevinden zich een aantal anderen, groot en goed gebouwd;
de tusschenruimte is bekleed met cement, die een aaneengesloten geheel
vormt en geheel nieuw schijnt, zoo hard is de kalk, waarvan zij de
cement maken."

Die lagen van cement, die wij ook elders gevonden hebben, zijn eene
kenmerkende eigenaardigheid van de kunst der Tolteken. Te Chichen
zijn die cementlagen nu verdwenen; maar uit de beschrijving van Landa
blijkt, dat in zijn tijd de bodem nog niet met planten en kruiden was
begroeid: hetgeen bewijst, dat de stad nog niet lang geleden verlaten
was. De uitmuntende toestand van de gebouwen, van de pyramiden en van
dit plaveisel van cement, in een land waar de plantengroei zoo krachtig
en welig is, bewijst dit nog te meer en wel op de meest afdoende wijze.

In dezen tempel trof ons voor het eerst de verrassende overeenstemming
tusschen de tolteeksche beeldwerken en bas-reliefs op de hoogvlakten,
en de bas-reliefs van deze stad in Yucatan. Deze monumenten zijn,
naar mijne overtuiging, afkomstig van de Tolteken, en van betrekkelijk
jongen datum. Ziehier het bewijs voor deze meening.

De balustrade van de groote trap verbeeldt, zoo als wij zagen, eene
gevederde slang, geheel overeenkomende met die aan den muur van den
tempel te Mexico. De gevederde slang was het symbool van Quetzalcoatl,
een god der Tolteken en der Azteken: in Yucatan was zij het teeken
van Cuculkan, een god der Mayas; in beide talen hebben de twee namen
dezelfde beteekenis, namelijk die van _gepluimde slang_. Dit beeld,
dat op de gebouwen van Yucatan veelvuldig voorkomt, diende ook ter
versiering van de huizen der aanzienlijken te Mexico. Clavigero zegt
ons dat de Azteken, in hunne bouworde, de kroonlijst bezigden, en
dat men aan sommige gebouwen eene reusachtige slang in relief zag,
die zich om alle openingen van het paleis slingerde, en zich zelve
in den staart scheen te bijten.

De twee pilaren van den voorgevel vertoonen eene onmiskenbare
overeenkomst met eene tolteeksche zuil, die wij te Tula hebben
gezien: ook hier zijn de schachten met vederen versierd en vertoonen
de basementen den kop van een slang. Uit alles blijkt dus dat deze
tempel aan Cuculkan was gewijd. Ook het kapiteel van den pilaar te
Chichen-Itza verdient de aandacht. Het is geheel gebeeldhouwd: in het
midden ziet men eene staande figuur, die met haar opgeheven armen het
entablement schijnt te torsen. Deze gestalte met haar langen baard
is wederom eene voorstelling van den tolteekschen god Quetzalcoatl,
die onder verschillende gedaanten werd afgebeeld. Zijne kleeding is
buitengewoon rijk: aan de polsen draagt hij breede armbanden, en op
het hoofd een reusachtig tooisel van vederen; om zijn hals hangt een
lange keten van edelgesteenten, en zijne laarsjes zijn met lederen
rosetten versierd.


VI


Ik heb reeds gezegd, dat er te Chichen-Itza twee cenotes zijn,
reusachtige kuilen, met loodrechte wanden, waarin het water door
onderaardsche beken wordt aangevoerd. Deze twee natuurlijke reservoirs
hebben ongetwijfeld aanleiding gegeven tot de keuze van deze plaats
voor de stichting eener stad en voor de nederzetting eener talrijke
bevolking in den omtrek. De inwoners van Chichen konden zich de moeite
sparen om diepe putten te boren; evenmin behoefden zij kunstmatige
waterbakken of vijvers aan te leggen: de natuur zelve had gezorgd
voor een rijken overvloed van water, een voorraad, die onuitputtelijk
was en ook bij de grootste droogte nooit verminderde. Een van deze
cenotes bevond zich in het midden van de stad, en werd dan ook het
meeste gebruikt; door middel van eene glooiing, waartegen men eene
soort van trap had gemaakt, daalde men naar het water af; de andere,
de heilige cenote, ligt ten noorden van het Castillo, buiten den
kring der gebouwen en op de grenzen der stad. Om dezen te bereiken,
moeten wij ons een weg banen midden door het bosch; halverwege vinden
wij de helft van een groot beeld van Tlaloc, en in de onmiddellijke
nabijheid groote hoopen van puin, overblijfselen van twee tempels,
aan wier voet wij weder het beeld terugvinden van de gepluimde slang,
Quetzalcoatl of Cuculcan, die de voornaamste godheid der bevolking
van Chichen schijnt te zijn geweest.

De cenote, die ongeveer honderd-vijftig el verder ligt, is langwerpig
van gedaante; het water is niet te bereiken, want de loodrechte
wand is omstreeks twintig el hoog en biedt nergens eene gelegenheid
tot afdalen. Het water schijnt groen van kleur: dit kan het gevolg
zijn van de aanzienlijke diepte, of ook de weerspiegeling van het
dichte gebladerte rondom den put. Deze eenzame cenote, waarvan de
wanden met distels, struiken, heesters en lianen begroeid zijn, te
midden van het bosch, maakt een somberen indruk. Deze plek was eens
gewijd als bedevaarts- en offerplaats; Chichen was eene heilige stad,
en deze cenote behoorde tot de voornaamste heiligdommen. Een kleine
tempel, waarvan wij nog de ruinen kunnen ontdekken, verrees aan zijn
zoom; aan de lokale godheid werden hier niet enkel halskettingen
van edelgesteenten, gouden en zilveren vazen geofferd, maar ook
volwassen menschen en kinderen, die vermoedelijk hier in de diepte
werden geworpen.

Landa maakt zoowel van den cenote als van den tempel melding; een
breede, fraai geplaveide weg voert daarheen; hij vindt er vazen en
allerhande soort van offergaven; hij voegt er bij, dat er nog in 1560
menschenoffers werden geslacht.

Mij dunkt, dit is duidelijk genoeg. Meer dan veertig jaren na de
verovering bestaat de tempel nog ongeschonden, vol van afgodsbeelden
en van wijgeschenken, door de toen levende Indianen daar gebracht;
er wordt nog voortdurend dienst in gedaan, en men ziet er afbeeldingen
van Mayas in hun nationaal kostuum. Hoe kan men dan beweren, dat deze
tempels het werk zijn van een verdwenen ras en dagteekenen uit een
tijdvak voor onze christelijke jaartelling? Het verhaal van Landa
moet iedereen de oogen openen. De stad was tijdens de verovering nog
betrekkelijk jong, en ongetwijfeld bewoond toen Francisco de Montejo
haar voor het eerst in 1527 bezette: immers in 1560 werden de tempels
nog door de geloovigen bezocht.

Van den heiligen cenote begeven wij ons naar de Kaatsbaan, het
voornaamste en het best bewaard gebleven van al dergelijke gebouwen,
die voor het bij uitnemendheid nationale spel der Indianen waren
bestemd. Het bestond uit twee evenwijdig loopende, zware gemetselde
muren, ongeveer honderd el lang en tien el dik; de afstand tusschen
de muren bedraagt vijf-en-dertig el. Aan het uiteinde dier muren
bevinden zich twee kleine gebouwtjes, waarvan dat aan de noordzijde
slechts een enkel vertrek bevat, van eene op zuilen rustende galerij
of portiek voorzien, waar de aanzienlijke heeren, beveiligd tegen de
brandende zonnestralen, op hun gemak het spel konden gadeslaan. Over
de architektuur en de uitwendige dekoratie van dat gebouwtje kunnen
wij in den tegenwoordigen toestand geen oordeel meer vellen; maar van
binnen was het zeer rijk versierd: de zuilen en muren zijn geheel
met bas-reliefs bedekt, die echter door den tijd in hooge mate
geleden hebben.

Dit groote monument alleen, waarvan alle geschiedschrijvers melding
maken en dat zij Tlachtli en Tlachco noemen, is op zich zelf reeds
een afdoend bewijs voor den tolteekschen invloed in Yucatan, want dit
gebouw komt geheel overeen met de voor het kaatsspel bestemde lokalen
op de hoogvlakten. De groote afmetingen en de rijke versiering van
den Tlachtli te Chichen-Itza, waarvan wij bereids eene proeve hebben
gegeven (zie bladz. 36), leveren ons het bewijs, dat het geliefkoosde
spel van de bewoners der hoogvlakten in Yucatan niet minder in eere
werd gehouden.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10
Copyright (c) 2007. topknownstories.com. All rights reserved.