Reis naar Yucatan written by Desire Charnay
D >>
Desire Charnay >> Reis naar Yucatan
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10
Francisco de Montejo landde toch aan de oostkust van Yucatan,
tegenover het eiland Cozumel; hij trok dus van het oosten naar het
westen, door Koba, eene stad vol monumenten, die nog op acht mijlen
afstands van Valladolid gevonden worden, en bereikte eene plaats,
Ce-Ake genoemd, waar hij bloedige gevechten moest leveren. Van daar
ging hij naar Chichen-Itza, waar hij twee jaren bleef. Dit geschiedde
op zijne eerste expeditie in 1527; het Ce-Ake waarvan hier sprake is,
lag dus omstreeks vijf-en-dertig mijlen oostwaarts van de ruinen van
Ake, waar wij ons thans bevinden.
Ake was ongetwijfeld eene zeer volkrijke stad; vijftien a twintig
pyramiden van verschillende grootte, met de bouwvallen van
paleizen gekroond, zijn over eene oppervlakte van een vierkante
mijl verspreid. De belangrijkste ruinen schijnen een rechthoek te
vormen, en omsluiten eene ruimen binnenhof, die zorgvuldig geeffend
is, en in welks midden nog een steen overeind staat, die door de
Indianen _picote_ wordt genoemd. Dit was de straf- of geeselpaal,
dien men ook te Uxmal en andere plaatsen vindt, en die zoowel voor
als na de verovering, in geen enkel indiaansch dorp ontbrak. Te
Tenosique verhaalde mij een oud man, dat hij, nog geen dertig jaar
geleden, dien steenen paal op het midden van de markt had gezien. De
veroordeelde Indiaan werd geheel naakt aan den picote gebonden, om
daar het bepaalde aantal stokslagen te ontvangen. Ik vond dezelfde
gewoonte te Tumbala, een indiaansch dorp op den weg van Palenque naar
San-Christobal. Volgens de begrippen der Indianen, wischt de straf
de schuld uit; en ik heb Indianen ontmoet, die, om hun geweten tot
rust te brengen, zelven aanhielden om eene bestraffing, die niemand
hun zocht op te leggen.
Nemen wij thans de ruinen nader in oogenschouw. Aan den
noordwestelijken uithoek verrijst eene pyramide van twee verdiepingen,
saamgesteld uit groote steenblokken zonder kalk; zij heeft eene hoogte
van omstreeks veertig voet, en eindigt in een klein vertrek, waarvan
het dak is ingestort, maar waarvan de muren nog ten deele overeind
staan. Wij vinden hier dezelfde constructie terug, die wij reeds te
Tula, te Teotihuacan en te Palenque hebben opgemerkt, en die wij ook
nog in de andere oude steden van Yucatan zullen aantreffen.
Dit monument met het kleine vertrekje, dat voor bewoning ten eenemale
ongeschikt is, kan onmogelijk een paleis zijn geweest; wij mogen
veilig aannemen dat wij hier met een tempel te doen hebben; en
dat te meer omdat deze pyramide een deel schijnt uit te maken van
het daaraan grenzende monument, waarboven zij zich verheft. Dit
laatste monument herinnert door zijne rechthoekige gedaante, aan
de soortgelijke gebouwen, die wij te Tula en te Teotihuacan gezien
hebben en die men met den naam van citadellen bestempelt, maar die
inderdaad niet anders waren dan de vermaarde Tlachtli, de kaatsbaan,
waarvan alle geschiedschrijvers melding maken. Het kaatsspel was bij
uitnemendheid het nationale spel der Tolteken, die het ook in Tabasco
en Yucatan invoerden. Wij zullen zulk een tlachtli, beter bewaard,
te Uxmal en te Chichen-Itza terugvinden. Waarschijnlijk hadden er,
voor den aanvang van het spel, in dien kleinen tempel godsdienstige
ceremonien plaats.
Een weinig meer ten zuidoosten zien wij een monument, dat tot velerlei
gissingen aanleiding heeft gegeven. Het is eene langwerpige pyramide,
met een zonderling gebouw gekroond. Het geheel ongewone voorkomen,
de buitengewoon groote trap, die zonderlinge architektuur, geheel
afwijkende van het gewone karakter der yucatansche monumenten:
dit alles verplaatst ons als het ware in eene nieuwe wereld. Het
zonderlinge monument bestond uit zes-en-dertig pilaren, waarvan er
nog negen-en-twintig over zijn, geplaatst op het bovenvlak van eene
langwerpige pyramide of liever een terras van zes el hoogte. Men
bereikt dat plat langs een reusachtige trap van ruwe steenblokken,
van anderhalve tot twee el lengte, en van dertig tot vijftig duim
hoogte. De pilaren waren gemiddeld vier el vijf-en-zeventig duim hoog,
te oordeelen althans naar de hoogsten en best bewaarden, die nog
voorhanden zijn; zij bestaan uit tien blokken van een el twintig duim
in lengte en breedte, en tusschen de veertig en vijftig duim hoogte.
Men had mij gezegd dat de steenen eenvoudig op elkander waren gelegd,
en dat de bouwmeesters te Ake geen kalk of cement hadden gebruikt. Dit
is onjuist; bij onderzoek blijkt toch dat wel de buitenzijden der
blokken, waaruit de pilaar bestaat, werden behouwen, maar dat de
binnenzijden ruw werden gelaten. Daar nu die binnenzijden niet juist
op elkander konden passen, moest men de ledige ruimten aanvullen met
kleine steenen, die nog voorhanden zijn, en werd ongetwijfeld tot
bedekking gebruik gemaakt van kalk of cement.
De heer Ayme, de amerikaansche consul te Merida, loochent dit
laatste; en daar de kalk verdwenen is, kan ik hem niet met de stukken
overtuigen, en moet wachten tot eene nieuwe ontdekking de juistheid
mijner meening bewijze. Deze zes-en-dertig pilaren, in drie evenwijdige
rijen geplaatst, vormen een rechthoek; de esplanade waarop zij staan,
heeft eene lengte van vijf-en-zestig el veertig duim, bij eene breedte
van veertien el veertig duim; de richting der pyramide, die aan de
uiteinden afgerond is, is van het noorden naar het zuiden; de trap
bevindt zich aan de zuidzijde.
Welke was nu de bestemming van dit wonderlijke gebouw? Was het
eenvoudig eene open galerij? Men vindt hoegenaamd geen puin
op het plat van de pyramide; was er dus vroeger eene bedekking,
dan moet dit dak uit hout en riet hebben bestaan, waarvan niets is
overgebleven. Was dit gedenkteeken bestemd om de herinnering aan een
of ander persoon of feit te bewaren? Wij kunnen op die vragen geen
antwoord geven. Zeker is dit monument in geheel Yucatan volstrekt
eenig in zijne soort; maar het draagt hoegenaamd geen monumentaal
karakter.--Gewisselijk ontbreekt het niet aan commentaren; maar het
is bekend, dat de commentatoren dikwijls de schrijvers en ook de
monumenten zeer veel meer laten zeggen, dan zij werkelijk doen: van
nature zijn zij geneigd, het vreemde, het verrassende, het onmogelijke
boven het eenvoudige en voor de hand liggende te verkiezen. Sommige
reizigers hebben, ten aanzien van de ruinen van Ake, hunner fantazie
den vrijen teugel gevierd en theorieen verkondigd, die den nuchteren
opmerker verbijsteren. Ziehier een staaltje van zulke buitensporigheid.
Het monument, waarvan wij spreken, zou de herinnering moeten bewaren
aan tijdperken of regeeringen, en ieder steenblok zou een Ahan Katun
of een Katun moeten voorstellen. Volgens de oude tijdrekening der
Mayas omvat een Ahan Katun een tijdvak van vier-en-twintig, en een
Katun een van twee-en-vijftig jaren. Daar er nu zes-en-dertig pilaren
zijn, ieder uit tien blokken bestaande, krijgen wij in het eerste
geval een tijdvak van achtduizend-zeshonderd-veertig jaren, en in
het tweede eene periode van achttienduizend-zevenhonderd-twintig
jaren. Ik behoef wel niet op te merken, dat het onderste blok, voor
achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaar gelegd, reeds lang verdwenen
zou zijn voor het aanbrengen van het laatste blok, dat nog eenige
eeuwen ouder zou zijn dan de verovering. Bovendien dragen alle blokken
het kenmerk van gelijken ouderdom. Maar eigenlijk is het niet noodig,
over dergelijke buitensporige dwaasheden veel woorden te verspillen.
Is het niet eenvoudiger, aan te nemen dat dit vreemdsoortige monument
eene galerij was, vroeger met riet overdekt, en die hetzij voor
openbare spelen, hetzij voor vergaderingen of plechtige ceremonien
bestemd was? De ligging midden tusschen de andere monumenten schijnt
voor deze onderstelling te pleiten.
Na dit monument opgemeten te hebben, begeven wij ons naar eene andere
ruine, _Akabua_, dat wil zeggen, huis der duisternis, genoemd. De
vertrekken zijn inderdaad donker, daar zij hun licht uitsluitend
ontvangen door de in andere kamers uitkomende deuren. Ook daar,
als overal elders, vinden wij de zoogenaamde _boveda_, het door
vooruitspringende lagen gevormde gewelf, dat wij ook in de monumenten
der Hindoes en der Tolteken aantreffen. Dit dusgenoemde, oneigenlijke
gewelf is hier te Ake sterker gebogen: een gevolg van de gebruikte
materialen, want, even als de pyramiden, is dit gewelf saamgesteld uit
die groote onbehouwen steenblokken, waarvan het gebruik ook aan deze
monumenten den naam van cyclopische bouwgewrochten heeft doen geven.
Toch is die benaming niet goed gekozen: immers de dusgenoemde
cyclopische constructie bestaat uit veel grooter blokken van
onregelmatige gedaante, maar zoo volkomen op elkander passende, dat men
er niets tusschen kan steken; de steenen daarentegen in de ruinen van
Ake hebben allen denzelfden vorm: het zijn dikke, niet behouwen zerken,
die door aanmerkelijke tusschenruimten van elkander gescheiden zijn.
Ik maakte mijn gids, den heer Ayme, daarop opmerkzaam, en zeide tot
hem: "Gij beweert dat er bij de gebouwen van Ake noch kalk, noch cement
is gebruikt, en dat men er nooit beeldhouwwerk, noch eenige decoratie
welke ook heeft ontdekt. Ik kan dit niet toegeven, hoewel de feiten
mij in het ongelijk schijnen te stellen. Hier staan wij voor een
raadsel, dat wij moeten trachten op te lossen. De stichters van deze
gebouwen hebben zich zeker niet zoo veel moeite en inspanning getroost,
om hun werk onvoltooid te laten. Wij moeten dus aannemen, dat deze
zerken eenmaal volkomen aan elkander sloten, en dat de tijd ze heeft
afgeknaagd en verwijderd; maar dan moeten wij aan deze monumenten een
ouderdom toekennen, die volstrekt onaannemelijk is. Bovendien ziet
ge dat deze steenen nog geheel in denzelfden toestand verkeeren,
als toen zij uit de groeve werden gehaald; ook zijn zij hier in
de binnenkamers niet beter geconserveerd dan aan de buitenmuren,
hetgeen toch het geval moest zijn. Ik kom dus tot het besluit dat al
deze steenen, van de muren zoowel als van de gewelven, vroeger met
cement bestreken en, volgens de gewoonte, ook beschilderd waren.
"Toon mij het bewijs van hetgeen gij zegt, antwoordde hij, en ik zal
u gelooven."
Ik moest zwijgen, en wij begaven ons naar eene hooge pyramide, met
een ruine gekroond.
"Laat ons dit paleis gaan zien, zeide ik tot Ayme.
--Er is niets te kijken: het zijn muren en meer niet; ik heb het
vroeger al bezocht; antwoordde hij.
--Laat ons toch maar eens gaan zien," hernam ik. En wij gingen.
Op het plat van de pyramide gekomen, was het eerste wat ik zag een
zeer fraai bas-relief van cement, bestaande uit schuine ruiten en
afgeplatte bollen. Dit bas-relief vormde de rechterlijst van een
groot kader, waar binnen verschillende figuren geplaatst waren,
waarvan men nog de overblijfselen kon ontdekken. Een laag cement van
ongeveer een el dik bedekte de steenen, vulde de ledige ruimten en
maakte de geheele oppervlakte glad en effen. Wij vonden zelfs nog
sporen van de oude beschildering.
"Wat zegt ge nu? vroeg ik aan mijn reisgezel.
--Gij hadt gelijk," antwoordde hij.
Inderdaad was door deze ontdekking een einde gemaakt aan alle
tegenspraak.
IV
Van Ake begeven wij ons naar Izamal, waar wij ten drie uren aankomen.
Izamal is eene van de voornaamste steden der provincie, of liever
een groot, aardig dorp met tusschen de vijf- en zesduizend inwoners;
het vlek maakte een des te aangenamer indruk, omdat men er zoo pas
het feest van den heiligen schutspatroon had gevierd, bij welke
gelegenheid de huizen, de openbare gebouwen en zelfs de vervallen
muren in de buitenwijken opnieuw waren gewit. Behalve zijne nette
woningen, bezit Izamal ook nog twee pleinen, door sierlijke moorsche
zuilengangen omringd.
Wij moeten hier even een uitstapje maken op historisch gebied,
waarbij opnieuw de betrekkelijke jonkheid zal blijken der beschaving
in Yucatan, in tegenspraak met de bewering van sommigen, die zich te
zeer door hunne verbeelding laten leiden en aan deze beschaving een
bespottelijken ouderdom toekennen.
Evenals Merida en andere steden van het schiereiland, verrees ook
Izamal op de plek, waar eene indiaansche stad stond. Evenals elders,
was ook hier het eerste werk der Spanjaarden, de tempels en paleizen
te verwoesten, de geschreven dokumenten te vernietigen, en zoo veel
mogelijk elk spoor en elke herinnering van de inlandsche beschaving
uit te roeien. Bisschop Landa, wiens werk over de zaken van Yucatan
omstreeks 1566 geschreven werd, dat is dus vijf-en-veertig jaar na
de verovering, spreekt van de gebouwen te Izamal, waarvan er toen
nog twaalf in wezen waren, en deelt ons mede, dat de stichters
dier monumenten onbekend waren. Lizana daarentegen, die in 1628,
zestig jaren later, schreef, en die veel minder dan Landa in de
gelegenheid was om zich bekend te maken met de oude traditien en
legenden, vertelt ons uitvoerig de geschiedenis dier monumenten;
van de twaalf bouwwerken, waarvan zijn voorganger melding maakt,
kent hij er wel is waar slechts vijf, maar hij weet de namen, die
Landa niet wist: wij zullen dus zijne opgave volgen.
Landa, die eerst zegt dat men den oorsprong dezer monumenten niet
kende, deelt ons later mede, dat zij door het nog bestaande ras
der inlandsche bevolking waren gesticht: immers, onder het puin
der verwoeste monumenten, heeft men fragmenten gevonden van naakte
menschenbeelden en andere versierselen, zoo als de Indianen nog heden
van bijzonder sterke cement vervaardigen. In een graf vindt hij kunstig
bewerkte voorwerpen van steen, gelijk aan die welke de Indianen nog
tegenwoordig bij wijze van geld gebruiken. Even als te Merida, waar
hij genoodzaakt was, eene kapel te verwoesten, om een einde te maken
aan de godsdienstige vereering van het oude heiligdom, bestond ook
hier, volgens Landa, eene groote pyramide, waarvan wij de afbeelding
geven op bladz. 32. De kapel, welke deze pyramide bekroonde, bestond
in zijn tijd nog: hij geeft er eene beschrijving van en zegt dat zij
opgetrokken was uit zorgvuldig gehouwen, met beeldwerk versierde
steenen. Met echt-zuidelijke overdrijving, voegt hij aan zijne
beschrijving de opmerking toe: "Dit monument is zoo hoog, dat men er
versteld van staat." Toch bedraagt die hoogte nauwelijks tachtig voet!
Het monument bestond uit twee gedeelten: de bijna tweehonderd el breede
basis met een ruim terras of platform, en de kleine pyramide, aan de
noordzijde van dit terras. Op het terras stond het volk, om getuige
te zijn van de godsdienstige plechtigheden, die ten aanschouwe van
allen op den top der pyramide werden volbracht. In de kapel, waarvan
Landa spreekt, stond het afgodsbeeld. Wij spreken hier bij analogie:
want wij weten dat dit het gebruik was te Mexico en in de steden der
Tolteken, Teotihuacan en Cholula.
Volgens Lizana droeg deze groote pyramide den naam van Kinich-Kakmo,
omdat op den top een tempel stond, waarin het beeld van een afgod,
die aldus werd genoemd. Deze naam zou zooveel beteekenen als: "Zon,
met het vurig stralende gelaat." De tempel was dus een zonnetempel,
met de daarbij behoorende pyramide, evenals te Teotihuacan.
Ten zuiden van deze pyramide verrees eene andere, niet minder breed,
maar eindigende in een terras en dus minder hoog dan de eerste;
zij heette Ppapp-Hol-Chac, dat wil zeggen: "Huis der hoofden en der
bliksemstralen." Daar woonden de priesters, vermoedelijk in een fraai
paleis, zoo als men die ook in andere steden vindt. De Spanjaarden
bouwden op die plek een aan Sint-Franciscus gewijd klooster, benevens
de parochiale kerk, die zeer mooi is.
De derde pyramide, ten oosten, droeg een tempel toegewijd aan
Ytzama-ul, Itzamna of Zamna, den legendarischen stichter van de stad
Izamal. "Deze koning of deze afgod, zegt Landa, werd door de Indianen
voorgesteld onder de gedaante van eene hand; zij beweren dat men
de zieken en zelfs de dooden tot hem bracht en dat de god hen door
de aanraking met zijne hand genas of weder tot het leven opwekte;
daarom noemde men den tempel Kab-ul, hetgeen beteekent de werkzame,
de wondervolle hand."--Deze tempel, waar zoo vele wonderen gewrocht
werden, was het doel van scharen van bedevaartgangers: daarom had men
naar de vier windstreken groote wegen of heerbanen aangelegd, die tot
aan de grenzen van het land waren doorgetrokken en naar Guatemela,
naar Chiapas en naar Tabasco voerden. Nog heden, zegt onze schrijver,
vindt men op verscheidene plaatsen sporen van die wegen.
Wij zelven hebben de overblijfselen gevonden van den met cement
geplaveiden weg, die van Izamal naar den oever der zee liep, tegenover
het eiland Cozumel. Wij moeten hierbij opmerken, dat deze manier van
wegen te maken bij voorkeur aan de Tolteken eigen was, zoo als wij
reeds vroeger in de gelegenheid waren te constateeren.
In den naam van den tempel, Kab-ul, de werkzame hand, herkennen
wij zonder moeite Hueman, de lange handen, het groote opperhoofd
en de wetgever der Tolteken van Tula, die door verschillende
geschiedschrijvers voor denzelfden gehouden wordt als Quetzalcoatl,
dien wij in Yucatan terugvinden onder den naam van Cuculkan, hetgeen
hetzelfde beteekent.
De vierde, meer voorwaarts gelegen pyramide droeg de woning van den
opperbevelhebber des legers, die den titel voerde van Hunpictok,
hoofdman over achtduizend steenen lansen. Op den top dezer pyramide
vindt men niets dan puin; in het onderste gedeelte, dat van gelijke
constructie is als de piramide te Ake, bevond zich het door Stephens
beschreven beeld, dat thans verdwenen is, en ziet men nog heden, aan
de oostzijde, de figuur, op bladz. 28 afgebeeld. Aan dit beeld kunnen
wij de manier van werken der bouwmeesters duidelijk waarnemen. Deze
kolossale kop heeft eene hoogte van vier ellen; de oogen, de neus, de
onderlip zijn gevormd uit ruwe steenblokken, die, even als de wangen,
met versche cement zijn bestreken; de ornamenten ter rechter- en ter
linkerzijde zijn evenzoo van cement; aan de versierselen links, die
beter bewaard zijn gebleven, bespeuren wij nog die dubbele spiralen,
zinnebeeldige voorstellingen van den wind of den adem, het woord,
die wij reeds zoowel te Mexico als te Palenque hebben gezien en die
wij te Chichen-Itza zullen terugvinden.
Aan de westzijde van deze pyramide, waar men een gedeelte van de basis
heeft blootgelegd, zien wij een der fraaiste bas-reliefs, die wij in
Yucatan hebben ontmoet. De hoofdfiguur is een liggende tijger met een
menschenhoofd; het beeldwerk is van cement; de modeleering der figuren
is voortreffelijk; deze tijger met het aangezicht van een mensch
herinnert ons aan de teekens der mexicaansche ridderorden, arenden,
tijgers en sperwers. De orde van den tijger was de voornaamste van
allen; en niets past beter bij de bestemming, die het paleis, volgens
de legende, zou hebben gehad, dan deze symbolische voorstelling van
de kracht en den moed: eene waardige versiering der woning van den
opperbevelhebber van het leger van Izamal.
Al deze monumenten, de pyramide met den zonnetempel, de tempel van
Quetzalcoatl, het paleis van den vorst en de woning der priesters,
leveren het bewijs dat Izamal, op het tijdstip der verovering,
eene zeer talrijke bevolking had en een der hoofdpunten was van
de nederzettingen der Tolteken; voorts weten wij zeker, dat de
godsdienstoefeningen geregeld in de heiligdommen plaats grepen en
door het volk werden bijgewoond. Dit is echter onbestaanbaar met den
hoogen ouderdom, dien sommigen aan deze stad willen toekennen.
Wij vertrokken van Izamal ten vier uren in den morgen; het landschap
maakte op ons een bij uitnemendheid treurigen indruk. Op een afstand
van vier mijlen ontmoeten wij slechts een dorp, Sitilpech genoemd,
eene verzameling van armoedige, meest ledigstaande hutten.
In Yucatan bemoeit de administratie zich waarschijnlijk niet met de
dienst der telegrafen en posterijen. Reeds te Merida had ik daarvan de
ondervinding opgedaan, daar toch een aantal telegrammen, waarvoor ik
zeer duur moest betalen, niet ter plaats hunner bestemming kwamen, of
althans onbeantwoord bleven. Bij navraag gaf men mij ten antwoord, dat
de telegraaflijn in geen goeden toestand verkeerde. Op onzen tocht kon
ik mij daarvan overtuigen. De aanleg van deze lijn moet inderdaad zeer
goedkoop zijn geweest, en de kosten van onderhoud zijn vermoedelijk
gelijk nul. Er was wel een draad, maar er waren geen palen en geen
isolators. Die ongelukkige draad liep langs den zoom van het bosch,
vastgemaakt aan een of anderen tak; boog de tak, dan hing de draad
neer; brak hij, dan viel de draad op den grond; nu eens zweefde hij
even boven den bodem, dan weer lag hij, als lusteloos en wanhopig,
slap op de struiken en rotsen. Die draad was te beklagen: maar nog meer
te beklagen waren zij die betaalden, om haar weer in orde te brengen,
of die er gebruik van maakten zonder eenig nut. Echter werkte hij toch
van tijd tot tijd, die rampzalige telegraaf: hij was er ten minste,
en onder dat opzicht onderscheidde Yucatan zich gunstig van Tabasco,
waar de telegrafen onmiddellijk na den aanleg weer verdwenen, omdat
de inwoners de draden voor hun eigen gebruik aanwendden.
Na een zeer vermoeienden rit kwamen wij des avonds ten zeven uren te
Citas. Het was volslagen donker, en men wachtte ons niet meer. Voor
onze ontvangst was niets in gereedheid gebracht; de dorpelingen waren
blijkbaar met deze verrassing alles behalve ingenomen. Waar zouden wij
overnachten? Daar de school voor het oogenblik ledig stond, werd die
ons ten gebruike afgestaan; wij gingen allen te zamen aan den arbeid,
zetten de tafels en banken op zij, en maakten zoodoende ruimte voor
onze hangmatten en veldbedden. Maar het souper:--dat is een lastig
ding! De tijd is verstreken, en de dorpelingen hebben geen lust, weer
aan het werk te gaan. Gelukkig komen de rechter en de burgemeester ons
bezoeken: dank zij hunne tusschenkomst, wordt de zaak nog geschikt;
de hoop op eene goede winst vermurwt de harten, en wij kunnen ons
avondmaal gebruiken.
Te Citas moeten wij den grooten weg verlaten om de bosschen in
te gaan; wij moeten dus hier onze rijtuigen achterlaten, en in
de plaats daarvan ons dragers, ezels en muildieren aanschaffen:
daartoe is natuurlijk tijd noodig, en het verblijf te Citas is
in het minst niet uitlokkend. De dorpelingen zijn onwillig; zij
vragen een dubbel loon en blijven weg als zij geprest worden. Een
vreemdeling, die zulke verre reizen onderneemt om ruinen te zien,
waarin de Indiaan hoegenaamd geen belang stelt, moet iemand zijn
die met zijn geld geen weg weet: het is dus niet meer dan billijk
dat hij betale. Nu, de Indianen van Yucatan zijn niet de eenigen,
die zoo redeneeren.--Eindelijk krijgen wij dan toch onze dragers,
tegen een derde boven den gewonen prijs. Paarden zijn schaarsch: zij
moeten geprest worden; het militair geleide wordt ons gracieuselijk
toegestaan. Natuurlijk zijn noch de soldaten, noch de paarden gereed;
wij zelven moeten ook nog verschillende toebereidselen voor de reis
maken. Bovendien zijn de paden in het bosch dicht gegroeid; de afstand
naar Piste bedraagt zeven mijlen; het eerste wat wij te doen hebben,
is dus mannen uit te zenden om den weg te banen. Zij gaan op weg,
en wij houden ons verder met onze uitrusting bezig, daar wij eerst
den volgenden dag zullen vertrekken.
Tegen den avond kregen wij eene uitnoodiging tot het bijwonen van
een bal. Tot mijne verbazing vernam ik dat er te Citas gedanst werd,
ondanks het gevaar, waarin het dorp steeds verkeerde ten gevolge
van den opstand der Indianen, die elk oogenblik het vlek konden
overvallen, de woningen verbranden en de dorpelingen vermoorden of
medevoeren. Natuurlijk namen wij de uitnoodiging aan.
De straten van Citas zijn geene straten, maar kleine ketens van steile
rotsen, door miniatuurafgronden gescheiden, waarin de vreemdeling zeer
gemakkelijk armen en beenen breken kan. Wij gaan dus op weg, ieder door
twee Indianen geleid, want het huis, waar het feest wordt gegeven,
is vier- of vijfhonderd el van het dorp verwijderd en het is buiten
pikdonker. Wij komen zonder ongelukken ter plaatse onzer bestemming.
In eene hut van armoedig voorkomen, verlicht door het schijnsel van
drie vuren, zijn een half dozijn vrouwen bezig met het gereedmaken
der spijzen; ik zie gansche stapels van kippen, kalkoenen en groote
stukken varkensvleesch, die gekookt of gebraden moeten worden. Buiten
zijn andere vrouwen bezig met het malen van mais, het kneden van het
deeg of het bakken van koeken, die warm gegeten worden.
Een met riet overdekte open loods, waarin eenige walmende lampen
hangen, dient tot balzaal. Eene rij banken en eenige met leder
bekleede stoelen zijn voor de dames bestemd; in het midden van het
lokaal staan de heeren, met bloote voeten, een witte pantalon, een
wijd loshangend hemd en een gekleurden doek om den hals. Het is er
vol: het gansche dorp is hier vergaderd; althans al de Indianen en
mestiezen, maar weinig ladinos, dat wil zeggen blanke vrouwen.
"Het is een Indiaan, die dit feest geeft en de kosten betaalt," zeide
de rechter tot mij; "zulk een feest, dat dikwijls verscheidene dagen
of liever verscheidene nachten duurt, kost veel geld. Dit feest zal,
na afloop van alles, misschien driehonderd piasters (vijftienhonderd
francs) hebben gekost: voor een mesties, zoowel als voor een Indiaan,
vertegenwoordigt die som eene heele fortuin. Maar voor zulk eene
gelegenheid zal hij al zijn geld uitgeven; hij draagt daar roem op;
en eerlang zal het de beurt zijn van een anderen Indiaan, om een
dergelijk feest te geven.
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10