Reis naar Yucatan written by Desire Charnay
D >>
Desire Charnay >> Reis naar Yucatan
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10
De Indiaan moest niet alleen den grond bebouwen, maar ook jagen en
visschen, en langs de kust het zout inzamelen, en dat alles onder
opzicht van daarvoor opzettelijk aangestelde ambtenaren, die over
de opbrengst beschikten; de vrouwen en meisjes moesten spinnen en
weven. De koningen, priesters en edelen leefden dus in overvloed en
onbekommerd, te midden van feesten en uitspanningen van allerlei aard;
maar zij voerden ook oorlog, en de Indiaan moest steeds gereed zijn om
zijn heer in den krijg te volgen. De oorlogen waren talrijk genoeg,
maar zij duurden kort: het lot van den veldtocht werd doorgaans in
een enkelen slag beslist. Het ging daarbij wreedaardig toe: men kende
geen medelijden met den overwonnen vijand; alles werd geplunderd
en uitgemoord, en wat men niet mede kon nemen, werd vernield of
verbrand. Dit verklaart ons het groote aantal van verwoeste steden
en van nieuwe monumenten, die na afloop van den oorlog weder werden
opgebouwd.
Als zij ten krijg uittogen, beschilderden de Mayas, even als vele
andere volksstammen, hun gelaat, en Bernal Diaz del Castillo, die
meermalen met hen vocht, verhaalt ons dat zij een soort van harnas van
gevoerd katoen droegen: eene wapenrusting, die de Spanjaarden onder
Cortez later van hen overnamen; zij waren gewapend met boog en pijlen,
met lans en schild, met slingers en groote houten slagzwaarden. Zij
versierden hun hoofd met schitterend gekleurde vederbossen en verfden
zich het gelaat wit en zwart, sommigen ook steenrood.
Was men van den krijgstocht teruggekeerd, dan werd die verf
weggewasschen en vervangen door een onvernietigbare tatouage: dit
tatoueeren was, naar het schijnt, een privilege voor de edelen
en de krijgslieden, die op deze wijze de herinnering aan hunne
heldendaden bewaarden en zich van de massa des volks onderscheidden;
Cogolludo verhaalt dat zij hun lichaam versierden met allerlei
figuren en afbeeldingen van dieren, zooals arenden, tijgers, slangen
en anderen. De jeugdige krijgsman begon met een of twee van deze
symbolische figuren; maar elke nieuwe overwinning moest door een nieuw
teeken worden herdacht, zoodat het lichaam van in den krijg vergrijsde
helden eindelijk geheel met deze hieroglyphen bedekt was. Volkomen
dezelfde gewoonte heerscht nog tegenwoordig in Nieuw-Zeeland en op
andere eilanden van den Stillen-oceaan.
De kleederdracht van de lieden uit de volksklasse was bij uitstek
eenvoudig en bestond uit een kleinen doek, die de plaats verving van
het traditioneele vijgenblad; trouwens het warme, aangename klimaat
liet dit minimum van kleeding toe. Aguilar, een Spanjaard, die acht
jaren lang krijgsgevangene was bij de Yucateken, was zoo volkomen
gewend aan dit primitieve kostuum, dat hij met de europeesche kleeding
niet meer terecht kon. De kinderen liepen tot hun tweede jaar naakt;
de kleine meisjes droegen om haar middel een koord, waaraan eene
schelp hing; bisschop Landa, die ons dit mededeelt, voegt er bij dat
het als eene groote zonde en eene schandelijke daad werd beschouwd,
haar deze schelp te ontnemen voor haar doop, die gemeenlijk tusschen
het derde en het twaalfde jaar plaats had.
De kleeding der adellijke mannen en vrouwen was zeer rijk en bestond
uit tunica's en mantels van katoen, met verschillende figuren
geborduurd of in sprekende kleuren beschilderd. De Mayas lieten hun
haar groeien, maar knipten het op het voorhoofd boven de wenkbrauwen
af; zij hadden weinig baard en trokken dien uit; de lieden van hooge
geboorte en de jongelieden naar de mode moesten scheel zien: dit gold
in de oogen der dames als bijzonder schoon. Om dit voorrecht deelachtig
te worden, lieten de moeders een vlok hair over den neus der kinderen
hangen, waarnaar zij onwillekeurig moesten kijken, zoodat zij eindelijk
scheel zagen. De Mayas doorboorden ook hunne ooren, hunne lippen en hun
neus, en droegen daarin houten en metalen ringen en andere sieraden.
Evenals bij de Azteken, de Totonaken, de bewoners van Palenque en de
Peruanen, heerschte ook bij hen de gewoonte der schedelmisvorming; maar
dit gebruik was verre van algemeen en gold vermoedelijk ook als een
privilege voor de adellijke familien en de priesterkaste. Torquemada
verhaalt daaromtrent het volgende: "Ten einde zich een woest en
krijgshaftig voorkomen te geven, geldt voor hunne vorsten, in sommige
provincien, het gebod om zich het gelaat en het hoofd (met behulp der
vroedvrouwen en der moeders) te misvormen, en daaraan eene puntige en
langwerpige gedaante te geven, gepaard met een breed voorhoofd." Ten
aanzien van Tlaxcala voegt hij erbij: "Sommigen hebben een puntig hoofd
en een plat voorhoofd; anderen gelijken op die Mexicanen en die lieden
van Peru, wier schedel eenigzins de gedaante heeft van een hamer (?) of
van een schip (?), die de fraaiste van allen is."--Heel duidelijk is
deze beschrijving niet; vermoedelijk wil Torquemada te kennen geven,
dat het hoofd buitengewoon langwerpig was. Landa zegt: "De vrouwen
gingen zeer ruw met haar kinderen om; het kleine schepseltje was
nauwelijks vier of vijf dagen oud, of zij legden het op den grond, op
een bed van stokjes en riet, met het gezichtje voorover; dan klemden
zij het hoofdje tusschen twee plankjes en drukten het met kracht,
totdat, na verloop van eenige dagen, het hoofd den vereischten platten
vorm had aangenomen." Deze operatie was zoo pijnlijk en gevaarlijk,
dat vele kinderen op het punt stonden daaraan te bezwijken; de
schrijver zelf had een kind gezien, waarvan de schedel achter de
ooren gespleten was: hetgeen ongetwijfeld meermalen moest gebeuren.
De moderne geschiedschrijver Eligio Ancona beschrijft als volgt de
politieke organisatie des lands voor de verovering: "Een of meer
vorsten regeerden met onbeperkte macht; de priesters beheerschten
het geweten; de edelen bekleedden alle openbare betrekkingen;
de overgroote meerderheid des volks was in twee kasten verdeeld:
plebejers, die alle lasten hadden te dragen voor het onderhoud der
bevoorrechte standen, en slaven, die geheel aan de willekeur van den
meester waren prijsgegeven.--Op politiek gebied, de autokratie; in
stede van godsdienst, fanatisme; eene zeer onvolkomen beschaving en
ontwikkeling, uitsluitend in handen der priesterkaste; bij de massa,
onwetendheid en verdierlijking; slavenhandel en menschenoffers; de
vrouw buiten de maatschappij zoo wel als buiten de familie gesloten;
en bovenal de onrustige, onverzadelijke eerzucht der caciquen,
telken dage en onder de nietigste voorwendsels het bloed des volks
doende stroomen."
Deze beschouwing verraadt in ieder woord haar modern, doctrinair
karakter: ge gevoelt het aanstonds, hier spreekt een man, in wiens mond
de afgesleten fraseologie der negentiende eeuw bestorven ligt. Dit is
zeker, dat, ondanks al deze gruwelen, dit kleine volk niet ongelukkig
was, veel meer het tegendeel: het land was dicht bevolkt, en de
monumenten leggen nog getuigenis af van den bloei der kunst. Wat
heeft dit volk nu wel van de Spanjaarden ontvangen? Hebben zij zijn
lot verbeterd; is het door hen minder onwetend geworden; is het peil
der zedelijkheid werkelijk verhoogd? Voor de verovering werd Yucatan
door ettelijke millioenen Indianen bewoond; tegenwoordig zijn er ter
nauwernood nog honderdduizend over, en dezen verkeeren in ellendiger
toestand en zijn dieper gezonken dan ooit te voren. Vanwaar dit? De
verklaring is gemakkelijk genoeg: ieder volk heeft de godsdienst die
het waard is en die het beste past bij zijne geestelijke ontwikkeling;
elke beschaving is geschikt voor het volk, dat haar uit zich zelve
ontwikkelt of van anderen overneemt en dan zoodanig wijzigt dat het
zijn eigen karakter daarin ontplooien kan en ruimte en vrijheid
van beweging vindt in gebruiken en instellingen, overeenkomende
met zijn aard en zijn aanleg. Of die beschaving, in onze oogen en
gemeten met onzen maatstaf, hoog of laag staat, is eene kwestie van
ondergeschikt belang; aprioristische beschouwingen, uitgaande van
eene of andere abstracte theorie, doen niets ter zake: de eenige
vraag is, of die bepaalde kultuurtoestand past voor het volk,
bij hetwelk wij dien aantreffen. En het antwoord op die vraag kan
alleen de historie geven. Zooveel is zeker, en de indiaansche stammen
van Centraal-Amerika leveren daarvan op nieuw het bewijs, dat het
opdringen van nieuwe instellingen en gebruiken, van eene vreemde,
laat het zijn hoogere beschaving, den ondergang en den dood van een
volk ten gevolge kan hebben.
Wij moeten met een enkel woord gewag maken van de vrouwen van gemengd
bloed, die tot de voornaamste bekoorlijkheden van Merida en andere
steden van Yucatan behooren. Deze mestiezen vormen als het ware eene
kaste op zich zelve en schijnen zonder morren de geringschatting te
dragen, waarmede zij over het algemeen behandeld worden; zij weten
zich echter op verschillende wijze daarover te wreken, waarbij de
bekoorlijkheid der vrouwen van geen geringe dienst is. Deze vrouwen
schijnen allen mooi, en al zijn ze niet werkelijk mooi, hebben zij
toch eene bijna onwederstaanbare aantrekkelijkheid. Dat is zeker
voor een groot deel toe te schrijven aan haar smaakvol kostuum,
bestaande uit eene wijde tunica met korte mouwen, en op de borst
vierkant uitgesneden. Deze tunica, _uipile_ genoemd, is van boven
en van onderen versierd met roode, groene, of blauwe borduursels,
bloemen, bladeren, vogels, en heeft, evenals de uitstaande rok,
een breeden zoom van kant. Zij steken een zilveren haarspeld door
haar prachtig, gitzwart haar, dat in twee zware tressen is verdeeld;
haar vingers zijn overladen met ringen, en om haar hals dragen zij
lange gouden kettingen, vaak haar geheele fortuin.
Deze mestiezen wonen in de voorsteden, in kleine langwerpige
huisjes met rieten daken; de buitenmuren zijn doorgaans met schuine
ruiten versierd, bezaaid met kleine steentjes op de kruispunten
der lijnen. Zulk eene hut heeft stellig zeer veel overeenkomst met
de woningen der Mayas in den tijd voor de verovering; de wijze van
decoratie herinnert ook aan het beeldhouwwerk der oude paleizen. Van
binnen vindt men geen andere meubelen dan een hangmat, een paar koffers
tot berging van de kleedingstukken bij feestelijke gelegenheden,
en een _butaca_, een kleinen fauteuil met eene lage rugleuning en
met leer bekleed.--Deze voorsteden zijn inderdaad bosschen: bij
iedere woning behoort een terrein van omstreeks een tiende bunder,
beplant met eene bijzondere soort van boom, _ramon_ genoemd, waarvan
de bladeren tot voedsel dienen voor de lastdieren.
Men leeft over het algemeen te Merida zeer stil en huiselijk; de
dames gaan weinig uit; men ziet haar zelden in de vuile straten, die
geen riolen hebben, vol kuilen en gaten zijn en in den regentijd in
moerassen zijn herschapen. Zij hebben geene andere afleiding dan het
bezoeken der kerk, en des avonds, van vijf tot zes uur, een toertje
met rijtuig. De eerste kerkdienst begint reeds des morgens tusschen
drie en vier uren; op dit onmogelijke uur worden, tot schrik van
alle vreemdelingen, alle klokken geluid, hetgeen een allesbehalve
aangenaam concert is.
Het gezellig verkeer is echter te Merida zeer levendig: letterkundige
bijeenkomsten, danspartijtjes, concerten, schouwburgen, dagbladen
en tijdschriften:--men vindt er van alles; er is wrijving genoeg van
denkbeelden en een opgewekt litterair leven. Twee geschiedschrijvers,
Eligio Ancona en de canonigo Crescentio Ancona, schilderen in
hunne verhalen de heldendaden der veroveraars, het lijden der
eerste kolonisten, de innerlijke partijtwisten en beroeringen en de
bloedige episoden van den burgeroorlog. De Yucateken zijn niet alleen
staatsambtenaren, zoo als dat meestal het geval is met de Mexicanen der
hoogvlakten: zij drijven ook handel en leggen zich toe op industrie:
in hun land wordt dit arbeidsveld niet, als bijna overal elders,
aan de vreemdelingen overgelaten. Zij zijn een eigenaardig ras, door
harde beproevingen geleerd en gestaald; een jong en levenslustig ras,
bij hetwelk de noodlottige invloed van het klimaat zich, naar het
schijnt, alleen toont in de kleine gestalte en het overwicht van het
vrouwelijk element in de bevolking. Men kan den Yucateken misschien
al te groote winzucht verwijten, die er hen toe brengt met name den
vreemdeling op onbeschaamde wijze te plunderen. Ik kan uit eigen
ondervinding daarvan een merkwaardig voorbeeld mededeelen.
Ik wilde een huis huren met den amerikaanschen consul, die overal
rondkeek en mij inmiddels aan zijne talrijke vrienden voorstelde. Wij
werden overal met de meeste welwillendheid ontvangen; men betuigde
zijn spijt, dat men ons niet kon helpen; men verklaarde zich overigens
geheel tot onze dienst bereid; maar daar bleef het bij. Eindelijk
zeide een van de vriendelijksten en ijverigsten, een dagbladschrijver,
tot ons: "Ik heb wat gij zoekt; in die straat heb ik een huis; hier
is de sleutel; gaat het eens zien; als het u aanstaat, is het tot
uwe beschikking." Wij gaan het huis zien, dat echter voor ons niet
geschikt blijkt; terugkeerende loopen wij even bij onzen vriend aan
om te zeggen, dat wij het niet nemen. Maar Ayme, de consul, vergeet
den sleutel terug te geven en brengt dien eerst na verloop van vijf
dagen, zich verontschuldigende over het verzuim.
"O, dat is niets, antwoordt onze vriend: maar ik krijg dertig francs
van u.
--Dertig francs: waarvoor? vraagt Ayme.
--Waarvoor? Wel, gij hebt den sleutel vijf dagen gehouden; vijf dagen,
tegen zes francs per dag, dat maakt dertig francs. Mij dunkt, dat is
eenvoudig genoeg."
Het was inderdaad zeer eenvoudig; en er schoot niet anders over dan
te betalen. Wij hadden evenwel de voorzichtigheid, van dat heerschap,
wiens naam ik niet noemen wil, eene kwitantie te vragen.
De Yucateken zijn er op gesteld, meester in hun eigen land te blijven
en hunne eigene zaken te beheeren. Met meer ondernemingsgeest bezield,
energieker en hooghartiger dan hun volksgenooten op de hoogvlakten,
hebben zij voor den aanleg van spoorwegen en andere openbare werken
geen beroep gedaan op de kapitalen der Yankees; uit hun eigen, waarlijk
niet overvloedige middelen hebben zij de kosten bestreden. Wel vorderen
de werken langzaam, maar de Yucateken mogen er dan ook roem op dragen,
dat zij er niemand dank voor hebben te brengen.
Het is inderdaad treffend te zien, hoe dit kleine volk, dat zoo
vreeselijk door binnenlandsche oorlogen en beroerten werd geteisterd
en vergeefs elders om hulp smeekte, zich weer heeft opgericht,
met ijver en inspanning zijne hulpbronnen ontwikkelt en de bittere
beproevingen te boven komt. In tegenoverstelling van hunne trage
en verkwistende buren, zijn de Yucateken arbeidzaam en zuinig: twee
onmisbare deugden, die zij zich verwierven in den moeielijken strijd
tegen de ongunstige omstandigheden, waarin zij geplaatst waren:
de betrekkelijke armoede van den grond, het ontbreken van minerale
schatten, en die verschrikkelijke verdelgingsoorlog, die het volk op
den rand des ondergangs bracht.
De geschiedenis van dien oorlog is dramatisch in hooge mate; ik zal
haar hier niet vertellen, maar slechts aanstippen dat de bewegingen
onder de Indianen, reeds in 1761 begonnen, in 1846 tot een geweldigen
algemeenen opstand leidden, die nog niet geheel onderdrukt is. Men
mag echter aannemen, dat de bloedige oorlog ten einde loopt; de wilde
trekt zich voor de beschaving terug en ziet schier met den dag zijn
gebied inkrimpen.
III
Nadat wij te Merida eenige dagen hadden vertoefd, maakten wij ons
gereed voor een uitstapje naar Ake. Dit uitstapje was inderdaad
een reisje _en famille_, want Louis Ayme, de amerikaansche consul,
die ook in archeologie liefhebberde, en die reeds meer dan eens de
ruinen bezocht had, wilde mij vergezellen; maar mevrouw Ayme, eene
Amerikaansche, gaf daartoe alleen hare toestemming, onder voorwaarde
dat zij ook mede zou gaan; en daar Shuty niet alleen thuis kon blijven,
moesten wij hem ook mede nemen. Shuty was de gunsteling van mevrouw,
een mooi hondje, met lange zijdeachtige haren. Met inbegrip van mijn
secretaris en mijn bediende, waren wij dus met ons zessen: wij hadden
mitsdien twee rijtuigen noodig.
Ake is eene hacienda, hofstede, van don Alvaro Peon, bij wien ik een
bezoek ga afleggen om hem vergunning te vragen tot het bezichtigen
der ruinen, en tevens een brief van aanbeveling voor den majordomo
of intendant. Don Alvaro deed meer dan van hem verlangd werd: niet
tevreden met den brief van aanbeveling, zond hij zijn chineeschen
bediende met allerlei levensmiddelen en benoodigdheden, opdat het
ons aan niets ontbreken zou.
Wie in het binnenland reizen wil, heeft tusschen twee vervoermiddelen
te kiezen: de groote kales, eene soort van diligence, bij ieder bekend;
en den _volan coche_, het eigenlijke nationale rijtuig. Wij kozen
het laatste. De volan coche is geheel van hout, met uitzondering
alleen van de ijzeren banden om de wielen. Op een zwaar en lomp
onderstel rust, gedragen door twee lederen riemen, een soort van
langwerpige bodemlooze bak of kist; over een van touw gevlochten net
wordt een dunne matras uitgespreid, om het schokken en stooten minder
hinderlijk te maken. Voorop zit de koetsier; van achteren is plaats
voor de bagage; terwijl ook een aantal voorwerpen onder aan het net
hangen. Reist men alleen, dan gaat men lang uit op de matras liggen;
maar is men met zijn drieen, dan moet men op turksche manier, met
samengevouwen beenen, gaan zitten: eene houding, welke iemand, die
daaraan niet gewoon is, in het eind onuitstaanbare kramp bezorgt. De
inlanders zitten met hun zessen of achten--hoe, begrijpt men niet--in
zulk een wagen. Hoewel de bak volkomen in evenwicht hangt, schokt
en slingert hij toch op eene geweldige manier; en wanneer de half
dronken koetsier zijn drie muildieren in vollen ren laat draven over
de ongelijke, rotsige wegen, schokt en hotst het rijtuig zoo hevig,
dat de reizigers door en over elkander geworpen worden. Gevaar is
er echter niet; het verwonderlijkste is dat er nooit iets aan het
rijtuig breekt, en op al mijne tochten ben ik maar eens omgevallen.
Ake ligt tien mijlen ten oosten van Merida. Wij volgen den weg naar
Izamal, ter wederzijde omzoomd door onafzienbare velden met agaven
beplant, en laten ter rechterhand twee met ruinen bekroonde heuvels
liggen. Vervolgens komen wij aan het dorp Tixpeual, waar de Spanjaarden
in 1541 een langdurig en bloedig gevecht moesten leveren. Het dorp
ziet er zoo armoedig uit en heeft zoo veel bouwvallige en verwoeste
huisjes, als ware de veldslag eerst gisteren geleverd; dat komt, omdat
de opstandelingen in 1848 tot aan de poorten van Merida doordrongen
en Tixpeual in de asch legden. Maar de gansche landstreek, met haar
weinige vervallen dorpen, haar eenzame wegen en schralen plantengroei,
maakt een zeer somberen indruk.
Drie mijlen verder wijzen palmboschjes de ligging aan van Tixkokob,
waarvan al de inwoners zich bezig houden met het vervaardigen van
hangmatten. In de openstaande huizen, ziet men overal de witte, gele,
blauwe, roode of veelkleurige netten uitgespannen; deze hangmatten, de
eenige soort van bedden waarvan de Indianen gebruik maken, zijn zeer
goedkoop: zij kosten niet meer dan drie a vijf francs; de mooisten
komen uit de omstreken van Valladolid.
Te Tixkokob waar wij een kop chocolade gebruikten, verlaten wij den
grooten weg, en slaan een zijweg in, waarop wij alle gelegenheid
hebben om met den volan coche nader kennis te maken. De rotsen zijn
steil, en het rijtuig schokt op de merkwaardigste wijze: wij zitten
te dansen als de poppen in een poppenkast.--Het was inmiddels avond
geworden; de indiaansche hutten, in de duisternis verloren, waren nog
maar alleen kenbaar aan het wegstervende schijnsel van de niet langer
onderhouden wordende vuren; de omtrekken der pyramiden teekenden zich
in zwarte massa's tegen den donker blauwen hemel; overal heerschte
een doodelijke stilte, alleen afgebroken door het knarsen en kraken
van het hotsende en stootende rijtuig. Wij vonden den toegang tot de
hacienda gesloten: men verwachtte ons niet meer. Op het luid geblaf
der honden verscheen de majordomo; hij liet de zware balken wegruimen,
die de poort barrikadeerden; weldra waren wij geinstalleerd en sliepen
in de vervallen, verwaarloosde zaal der heerenhuizinge.
Ake is eene hacienda voor de veeteelt; en men had ons gewaarschuwd,
dat het, overal waar runderen zijn, wemelt van garrapaten. Wij hadden
dus alle mogelijke voorzorgen genomen, want deze verfoeilijke houtluis
is het geduchtste insekt dat ik ken. Wij knoopten al onze kleeren
dicht; wij staken de pijpen van onze pantalons in hooge laarzen; wij
stopten zoo veel mogelijk alle denkbare openingen. Mevrouw Ayme, in
een sierlijk bloomerskostuum, scheen ook tegen de indringers gewapend;
maar Shuty, de aardige Shuty, hoe zou hij zich verdedigen? Ten slotte
bleek dat al onze voorzorgen ons niets baatten. De hongerige garrapate
laat zich door niets weerhouden; schier onmerkbaar en dunner dan
een velletje papier, dringt zij overal door, ook door onzichtbare
openingen; wij ondervonden het tot onze schade.
Wij gaan uit om den cenote op te zoeken; Shuty springt vroolijk
blaffend voor ons uit. Wat is een cenote? Yucatan heeft noch stroomen,
noch rivieren, maar daarentegen een zeer uitgestrekten onderaardschen
waterplas, meer of minder diep beneden de oppervlakte, naarmate de
kalklaag dikker of dunner is; nabij de kust is het water zeer dicht
bij den beganen grond, in het binnenland vindt men het eerst op
aanmerkelijke diepte. Men noemt nu cenotes de inzinkingen van den
bodem, die tot dit water toegang geven. Is het water op geringe
diepte onder den grond, en is de kalklaag slechts aan den eenen
kant verteerd, dan verkrijgt men een onregelmatige spelonk, die
over de geheele breedte open is. Heeft de kalklaag eene middelbare
dikte en stroomt het onderaardsche water in bepaalde richting,
dan wordt de bodem regelmatig ondermijnd, tot de bovenlaag, niet
langer steun vindende, instort; zoo ontstaat een reusachtige put,
meestal van ronde gedaante, zooals de cenotes van Chichen-Itza. Is de
kalklaag daarentegen zeer dik, dan tast het water slechts de weeke,
zachte deelen aan waarvan een gedeelte instort, waardoor somtijds in
de bovenste laag eene smalle opening ontstaat: zoo krijgt men eene
werkelijke grot, met stalactiten en stalagmiten versierd, zooals te
Sacalun en te Valladolid; somwijlen ook is de cenote niet meer dan
eene reusachtige onderaardsche ruimte, zooals te Bolonchen.
Het is opmerkelijk dat alle beschaafde nederzettingen in Yucatan zich
hebben gevormd om deze natuurlijke waterbekkens; want in den beginne
hadden de kolonisten vermoedelijk niet de noodige hulpmiddelen om
putten of waterbakken te graven, noch ook om kunstmatige reservoirs
te maken, zoo als zij het later te Uxmal deden.
De cenote van Ake behoort tot de eerste kategorie; de toegang vormt
als het ware een grooten boog, die een zeer schilderachtig en bijna
indrukwekkend voorkomen heeft. Op den achtergrond, omstreeks twintig
voet beneden het gewelf, en dertig beneden den beganen grond, ziet men
een groot bekken vol frisch en helder water, waarin eene menigte kleine
vischjes zwemmen, terwijl zwermen van zwaluwen in alle richtingen de
grot doorkruisen en de ruimte vullen met haar vroolijk geroep.
Van den cenote begeven wij ons naar de ruinen, die onze bedienden
inmiddels bezig waren van den overvloedigen plantengroei te
zuiveren. In afwachting dat zij daarmede gereed waren, dwaalden
wij rond door de bosschen, uitziende naar ruinen, zonder eenig
kwaad vermoeden ons een weg banende door de verraderlijke takken
der boomen, maar welhaast stikkende van de hitte in onze nauw
sluitende kleeding. Niemand voelde zich onwel of klaagde over iets
buitengewoons. Shuty was de eerste, die teekenen gaf van een abnormalen
toestand; bij het verlaten van den cenote was hij onrustig geworden;
hij stond eensklaps stil en beet zich in zijne pooten of maakte
zonderlinge sprongen; maar steeds vroolijk, levendig en aardig,
vervolgde hij, luid blaffende, zijn weg. Wij gingen toen door het
dichte hout; en de min of meer gekunstelde vroolijkheid van Shuty
maakte plaats voor wezenlijken angst; zijn blaffen ging over in
janken; hij beet zich met woedende heftigheid, rolde zich in het gras
en begon zoo akelig te huilen, dat zijne meesteres hem opnam: het
lichaam van het arme dier was geheel en al overdekt met wriemelende
garrapaten: wij zelven werden onmiddellijk door dit ongedierte
aangetast.--Gelukkig vonden wij bij onze tehuiskomst een uitnemend
dejeuner, door den chineeschen kok van don Alvaro klaar gemaakt;
maar eer wij aan tafel gingen, begaven wij ons een voor een naar een
kabinetje om ons van ongedierte te zuiveren en op nieuw toilet te
maken. Mevrouw Ayme en Shuty bleven verder tehuis en waagden zich
niet meer aan ontdekkingstochten.
De ruinen van Ake zijn zoo goed als onbekend. Stephens, de
amerikaansche onderzoeker, spreekt er in zijn belangrijk reisverhaal
slechts ter loops van. Hij noemt de groote galerij een kolossaal werk,
en het paleis in zijn geheel een gewrocht van reuzen; de ruinen hebben,
volgens hem, het merk van hooger ouderdom dan andere monumenten. Hij
voegt er bij, dat volgens Cogolludo de Spanjaarden op hun tocht eene
stad ontmoetten, Ake genaamd, waar zij een gevecht moesten leveren
tegen eene groote menigte Indianen. Stephens vergist zich; als hij
Cogolludo nauwkeuriger had gelezen, zou hij bemerkt hebben dat de
stad, waarvan de geschiedschrijver spreekt, niet dezelfde is als die
hij heeft bezocht. De ligging van de stad Ake verwijdert haar ten
eenemale van den weg, dien de veroveraars volgden.
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10