Reis naar Yucatan written by Desire Charnay
D >>
Desire Charnay >> Reis naar Yucatan
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 Reis naar Yucatan
door
Desire Charnay
(uit "De Aarde en haar Volken," jaargang 1886)
Bij allen, die zich bezig houden met de zoo belangwekkende studie
van de amerikaansche oudheid, dat wil zeggen met de studie der
beschaving en der geschiedenis van Amerika voor de ontdekking door
Columbus en de verovering door de Spanjaarden en andere europeesche
mogendheden,--bij die allen is de naam van den heer Desire Charnay
geen onbekende. Hij gaf ons belangrijke studien over het oude Mexico en
andere landen van Centraal-Amerika, die hij zelf bereisde, voornamelijk
met het doel om de nog overgebleven sporen en gedenkteekenen eener
ondergegane beschaving te leeren kennen, en daarmede winst te doen
voor de oplossing van zoo menig gewichtig vraagstuk op ethnografisch
gebied. De lezers van _De Aarde_ brachten wij nog niet met den
arbeid van den heer Charnay in kennis: wij willen dit thans doen,
door hem te vergezellen op zijne reis naar het schiereiland Yucatan,
niet een der minst belangrijke landstreken van Centraal-Amerika.
I
Den 1_sten_ December 1881 wierp de boot het anker uit op de reede van
het dorp Progreso, de tegenwoordige haven van het schiereiland. Er woei
een vrij harde noordenwind, en als trouwens alle groote stoomschepen,
moesten wij het anker uitwerpen op vier a vijf mijlen afstands van
den wal, dien wij ter nauwernood konden zien: de kleine gebouwen van
Progreso krompen op dien afstand tot mikroskopische huisjes samen. Deze
kust met hare ondiepten en zandbanken staat sinds lang ter kwader
naam; evenmin als wij, konden de eerste spaansche ontdekkers haar
van nabij naderen. Bij ruw weer is de ontscheping zeer gevaarlijk;
maar de bootslieden zijn zoo voor hunne taak berekend, dat zij ons
zonder eenig letsel, uitgenomen een aanval van zeeziekte, aan den
kleinen houten havendam brengen.
Yucatan is een groot schiereiland, waarvan de vorming nog niet voltooid
is. Het noordelijk gedeelte, waar de kalkachtige bodem nog maar met
eene dunne laag teelaarde is bedekt, is eene dorre kale vlakte; in het
midden wordt de grond, sinds langer gevormd, vruchtbaarder en minder
vlak; in het zuiden eindelijk verheffen zich vrij hooge heuvels, die
in verband staan met de vertakkingen van de sierra Madre, welke zich
door geheel Centraal-Amerika uitstrekt. Het schiereiland, dat noch
rivieren, noch stroomende wateren heeft, strekt zich van het zuiden
naar het noorden in de golf van Mexico uit, tusschen den achtsten en
den twaalfden graad oosterlengte van Mexico, en den achttienden en
den twee-en-twintigsten graad noorderbreedte.
De eerste berichten omtrent Yucatan, of althans omtrent zijne bewoners,
zijn afkomstig van Columbus zelven, die op den 30_sten_ Juli 1502, toen
hij op het Pijnboomeneiland, ten zuiden van de noordwestpunt van Cuba,
vertoefde, van den kant van het westen eene groote boot zag naderen,
uit een enkelen boomstam gehouwen, bemand met vier-en-twintig roeiers
en voerende een cacique (opperhoofd, vorst) met zijne familie. Verder
wordt verhaald, dat deze lieden het sedert bekend geworden yucatansche
kostuum droegen, en dat er zich aan boord van de boot, hetzij ten
gebruik van de reizigers, hetzij om daarmede handel te drijven,
koeken of brooden van mais bevonden, benevens verschillende dranken
uit mais bereid; voorts cacao, groote houten zwaarden met sneden van
obsidiaan, koperen bijlen en katoenen stoffen, zoo zacht als zijde
en met levendige verwen gekleurd.
Ik twijfel er zeer aan of wij in dit verhaal werkelijk met Yucateken
of Mayas te doen hebben. Die groote, acht voet breede boot, uit een
enkelen boomstam gehouwen, kan niet uit Yucatan afkomstig zijn, een bij
uitnemendheid droog en, althans in zijn noordelijk gedeelte, tamelijk
dor en kaal land. Bovendien kan men niet aannemen dat de Mayas, die
een rotsachtig, vlak en droog land bewoonden, waar geen rivieren zijn,
ervaren zeelieden waren; koperen bijlen waren er bij hen wel niet
veel te vinden, evenmin als obsidiaan; eerst op hunne tweede reis,
onder Gryalva, vonden de Spanjaarden zulke bijlen in Tabasco.
Het komt mij dus waarschijnlijk voor, dat de boot, waarvan Columbus
spreekt, van Tabasco kwam: eene landstreek, toen niet minder beschaafd
dan Yucatan, maar bovendien doorsneden door groote rivieren en bedekt
met een weelderigen plantengroei, waar de inboorlingen te kiezen
hadden tusschen ceders en andere woudreuzen om de groote kano's te
vervaardigen, waarvan het verhaal melding maakt. Deze inboorlingen
gingen evenals de Mayas gekleed; maar de voorraad cacao vooral
pleit ten voordeele van mijne onderstelling, want de cacao is in
Yucatan niet inheemsch, maar was en is nog steeds een der voornaamste
voortbrengselen van Tabasco.
Wat mij het meeste verwondert in dit verhaal, is dat Columbus, bij
de voor hem zoo geheel onverwachte verschijning van die groote sloep
met hare beschaafde bemanning, niet op de gedachte is gekomen om
deze zeevaarders te volgen, ten einde te zien van waar zij kwamen:
hadde hij dit gedaan, dan zou hij ook de eerste zijn geweest die de
beschaafde landen van Amerika had ontdekt.
De eer der ontdekking van het schiereiland behoort nu aan Vincente
Yanez Pinzon, die in gezelschap van Juan Diaz Solis in 1506 langs
de oostkust van Yucatan voer, maar zonder haar te verkennen. In 1511
eindelijk leed Valdivia, die met twintig Spanjaarden van Darien kwam
en naar Cuba ging, schipbreuk op de riffen, bekend onder den naam van
de Alacranes. De bemanning, in eene sloep saamgepakt, werd, na eene
omzwerving van dertien dagen, door den stroom op eene onbekende kust
geworpen. Dat was de kust van Yucatan; de schipbreukelingen, wier
aantal door dorst en honger tot dertien geslonken was, bevonden zich
aan de oostelijke punt van het schiereiland, bij kaap Catoche. Zij
werden door de inboorlingen gevangen genomen en bestemd om geofferd
en gegeten te worden; allen ondergingen dat lot, met uitzondering van
twee, Geronimo de Aguilar en Gonzalo Guerrero, van wie wij nog nader
spreken zullen. Deze ontdekking was dus bloot toevallig; opzettelijke
ontdekkingstochten werden eerst eenige jaren later ondernomen.
In 1517 doet Cordova een verkenningstocht langs het noordoosten van
het schiereiland; hij volgt de kust van het oosten naar het westen
en bespeurt verschillende groote steden en hooge pyramiden; hij gaat
te Campeche aan land, waar hij tempels vindt aan Kukulcan, den god
Quetzalcoatl der Tolteken, gewijd; op de muren van die tempels zag
hij groote slangen in relief uitgehouwen, gelijk aan die waarmede de
buitenmuur van den grooten tempel te Mexico prijkte. Door gebrek aan
water gedrongen, landde Cordova aan de westkust, te Potonchan, thans
Champoton, waar hij, in een gevecht met de Indianen, zeven-en-vijftig
zijner manschappen verloor, terwijl geen enkele van zijn volk
ongekwetst bleef. Ook later vond Cortez nergens zoo hardnekkigen
tegenstand en zoo geduchte vijanden; want in de gevechten, die hij
vijftien dagen lang tegen de Tlascalteken, de moedigsten onder alle
indiaansche stammen der hoogvlakten, moest leveren, verloor hij niet
meer dan drie man.
In 1518 landt Gryalva te Cozumel, op de oostkust van Yucatan; vandaar
verkent hij eene groote stad aan de kust, Tuloom, Pamal of Paalmul;
vervolgens richt hij zich noordwaarts en vaart, als zijn voorganger,
langs de kust van het schiereiland. Ook hij houdt te Campeche en
Potonchan op, gaat Tabasco verkennen en dringt door tot de eilanden
Sacrificios en Ulua, vlak tegenover de plek, waar later Vera-Cruz
zou verrijzen.
In 1519 volgt Cortez denzelfden weg; maar gelukkiger dan zijne beide
voorgangers, vindt hij in Yucatan Aguilar, die hem als tolk zal dienen,
en op de kust van Tabasco ontvangt hij, uit handen van een cacique,
Marina, het indiaansche meisje, die als het ware de beschermengel
werd van zijne expeditie.
Het zonderlingste is dat de Spanjaarden nooit den waren naam hebben
geweten van het land, dat zij veroverd hadden. De naam Yucatan zou,
naar sommigen zeggen, zijn afgeleid van de woorden _Chac-Nuitan_
(wij begrijpen niet), waarmede de inboorlingen antwoordden op de
vraag der Spanjaarden naar den naam van hun land. Anderen verklaren
dien naam weer op andere wijze en wagen de wonderlijkste gissingen,
die elkander lijnrecht tegenspreken. Trouwens dit behoeft ons niet te
verwonderen, als wij bedenken dat de geschiedschrijvers op achttien
verschillende manieren den naam schrijven van Montezuma, dien keizer
met wien de Spanjaarden toch van nabij bekend waren! Men kan zich
eenigszins voorstellen met hoeveel moeite de lezing der kronieken
gepaard gaat; eerst wanneer men op de plaatsen zelve geweest is,
is het mogelijk achter de waarheid te komen. Wij zullen al deze
gissingen en onderstellingen laten rusten, en beproeven of wij met
behulp van de overgebleven monumenten de verborgenheden van den
ouden tijd kunnen ontsluieren. Juist hier hebben de Indianen tal van
herinneringen achtergelaten.
Het is niet der moeite waard, zich in het dorp Progreso op te houden:
het is eene verzameling van pakhuizen, winkels en ellendige krotten,
midden in het zand; de uiterst eenvoudige havendam verkeert in zeer
verwaarloosden toestand. De tijd ontbreekt ons voor verder onderzoek,
want de trein, die ons naar Merida moet brengen, vertrekt ten tien
uren; en de vele koffers van onze bagage moeten nog eerst door de
beambten der douane worden nagezien. Deze heeren zijn overigens zoo
beleefd mogelijk: van mijne vijf-en-twintig koffers wordt er maar een,
en dat nog voor den vorm, geopend; allen beijveren zij zich om ons
zoo spoedig mogelijk te helpen. Toch is het goed, zijne bagage niet
uit het oog te verliezen, want de commissionairs zijn bijzonder vlug
met andermans goed, zoo als ik later tot mijne schade ondervond. De
stoomfluit gilt, en wij vertrekken.
Progreso is omringd door een gordel van moerassen, die een zeer
treurigen aanblik opleveren; dan komen wij aan eene steenachtige
vlakte, hier en daar met struiken en onkruid begroeid. Het is een
eentonig, dor landschap; maar de bewoners hebben toch dien kalen
dorren grond zeer winstgevend weten te maken. Ter wederzijde van den
weg strekken zich onafzienbare _henequen_-plantages uit: eene agave
met smalle en lange bladeren, waaruit zeer stevige en fraai glanzende
draden vervaardigd worden, die op de amerikaansche markten grooten
aftrek vinden. Links en rechts wijzen verspreide boomgroepen de
woningen van de eigenaars der plantages aan; de hooge schoorsteenen,
waaruit de rook opstijgt, zijn die van de fabrieken, waarin de
bewerking van de henequen-bladeren plaats heeft. Wij ontmoeten op
onzen weg nog zeer enkele dorpen: voor de deur der langwerpige, met
riet gedekte hutten, zitten bronskleurige vrouwen met korte rokken
en omgeven door talrijke groepen naakte kinderen, die den voorbij
snorrenden trein met verbaasde oogen aanstaren.
Na een rit van drie uren komen wij te Merida. Hotels zijn hier niet,
waaruit volgt dat de verschijning van een reiziger eene zeldzaamheid
is; evenmin staan er huizen te huur, hetgeen pleit voor de welvaart
der stad, want vroeger stonden er een aantal huizen leeg. Wij loopen
gevaar, onder den blooten hemel te moeten overnachten; en niet dan
met veel moeite gelukt het ons, eene kleine kamer van vijf el in het
vierkant te vinden, waar wij met ons drieen moeten logeeren: mijn
secretaris, mijn bediende en ik zelf. In de geheele stad is maar een
restaurant--en welk een restaurant! Maar het komt er niet op aan:
het is ons om de ruinen en de oude monumenten te doen, en niet om
een lekkere keuken. Bovendien worden wij geintroduceerd in eene
amerikaansche club, waar wij onze avonden aangenaam kunnen doorbrengen.
Merida werd in 1542 gesticht door Francisco de Montejo, tijdens
zijne tweede expeditie: want de veroveraar slaagde er eerst bij deze
tweede expeditie in, dit kleine dappere volk te onderwerpen en eene
der merkwaardigste nationaliteiten van Amerika te vernietigen. Hij
kwam hier voor het eerst in 1527; hield Chichen gedurende twee jaren
bezet, en moest zich toen, overwonnen en uitgehongerd, terug trekken
om te Mexico versterking te gaan halen. Bij zijne tweede expeditie
gelukte het Montejo eindelijk, door het verraad van een opperhoofd,
vasten voet in het land te winnen. De verovering van Yucatan kostte
inderdaad meer inspanning, meer menschenlevens en meer tijd dan de
verovering van geheel Mexico; en ook na dien tijd moest de overwinnaar
voortdurend op zijne hoede zijn tegen telkens dreigende opstanden van
een volk, dat het vreemde juk verafschuwde en altijd gereed was naar
de wapenen te grijpen.
Het zou wel der moeite waard zijn, meer in bijzonderheden met deze
langdurige worsteling bekend te zijn; maar oneindig belangwekkender
ware de kennis van de geschiedenis van het volk, dat ons zulke
schoone monumenten heeft achtergelaten. Deze monumenten, die tot
zoo velerlei gissingen en hypothesen aanleiding hebben gegeven,
zijn heden ten dage de eenige overgebleven getuigen van die in
geheimenissen gehulde beschaving. Toch ontbraken tijdens de verovering
de authentieke documenten geenszins: manuscripten op aloepapier en
op geitenvel, kaarten, afgodsbeelden, vaatwerk, nog levende traditien
en overleveringen: ziedaar bouwstoffen genoeg, waarvan de toenmalige
schrijvers gebruik hadden kunnen maken om ons eene uit de bronnen
geputte geschiedenis te geven van de oude beschaving der Mayas. Maar
de Spanjaarden dachten aan geheel andere dingen; en op het voorbeeld
van den bisschop Zumarraga van Mexico, die de jaarboeken der Azteken
vernietigde, verbrandde ook de bisschop Landa, van Merida, te Campeche
alle documenten, die hij kon bijeen brengen. Na dit schoone auto-da-fe
zette hij zich aan het schrijven zijner geschiedenis van Yucatan! Zeker
eene zonderlinge wijze van behandeling der bronnen!
Ons blijft dus niets anders over dan met de meeste nauwgezetheid alle
sporen en herinneringen van den vroegeren toestand uit te vorschen en
te onderzoeken, en door de studie van de monumenten en bas-reliefs,
door vergelijking van deze kunstwerken met anderen die ons bekend zijn,
te trachten een beeld te ontwerpen van dat verleden, dat steeds nader
bij komt, hoe meer men het bestudeert. Men heeft meermalen aan deze
monumenten eene tot in het belachelijke overdreven oudheid toegekend:
inderdaad zijn zij betrekkelijk modern, zoo als ik nader, op onzen
tocht, hoop te bewijzen.
Merida werd gebouwd op de plaats van het oude Ti-hoo of T-hoo, eene
der grootste yucatansche steden, waarvan de overlevering echter
ter nauwernood melding maakt. Volgens het zeggen der Spanjaarden,
was de stad sedert lang verlaten; uit de feiten zelven schijnt
echter te blijken dat zij nog bewoond was. Wel waren de pyramiden
met struiken en distels begroeid, maar de daarop rustende gebouwen
waren, naar de verklaring van Landa, nog ongeschonden in wezen;
en Francisco de Montejo kon in de stad zijn intrek nemen met zijne
troepen en het contingent der Indianen van Mani. Bovendien verhaalt
de jongste geschiedschrijver van Yucatan, de heer Eligio Ancona, van
een beroemden tempel, H-Chum-Caan genoemd, hetgeen zooveel beteekende
als: het middelpunt en de grondslag des hemels. De inwoners van T-hoo
waren bijzonder gehecht aan dit hoog vereerde heiligdom; en om die
bijgeloovige vereering uit te roeien, was het, volgens Cogolludo
noodig, den tempel af te breken en hem te vervangen door eene aan
Sint-Antonius gewijde kapel.
Uit deze mededeeling blijkt, dunkt mij, onwedersprekelijk dat de
tempels en paleizen van Merida ook nog na de komst der Spanjaarden
bestonden en dat daarin nog dienst werd gedaan; maar deze tempels
en paleizen beantwoordden gewis niet aan de overdreven beschrijving
van den abt Brasseur. Op het gebied der archeologie vooral is het
zeer gevaarlijk, aan de verbeelding vrij spel te laten; het gezond
verstand is ook hier de beste gids; en zucht naar het wonderbare spant
ons bij het onderzoek soms gevaarlijke strikken. Laat mij daarvan
een sprekend voorbeeld verhalen. Landa geeft ons eene beschrijving
van het voornaamste gebouw, dat uit vier vleugels bestond, rustende
op pyramiden; deze vleugels omgaven eene langwerpige binnenplaats,
die door hare gedaante herinnerde aan het paleis der nonnen, dat wij
te Uxmal zullen bezoeken, en door haar bouwstijl aan een der paleizen
van Kabah, welke wij eveneens zullen zien. De twee hoofdvleugels nu
bevatten vijftien vertrekken van twaalf voet lengte, hetgeen te zamen
honderd-tachtig voet bedraagt; voegt men daar nu veertig voet bij voor
de dikte der muren, dan krijgen wij tweehonderd-twintig voet voor
het geheele gebouw. Volgens de teekening hebben de beide terrassen,
die het paleis dragen, eene meerdere oppervlakte van tachtig voet:
zijnde een totaal van driehonderd voet voor het terras, waarop het
paleis was gebouwd. Deze cijfers schijnen de verbeelding van den abt
te hebben ontvlamd: de driehonderd voet worden tot drieduizend voet
voor het geheele monument. Het is maar een nul te veel, doch het
maakt nog al eenig verschil!
De stad Merida, met de bouwstoffen der indiaansche stad opgetrokken,
heeft, als alle spaansche steden in de Nieuwe-Wereld, de gedaante van
een groot dambord, gevormd door rechte straten en zuiver vierkante
blokken huizen. In het midden bevindt zich een groot plein, dat thans
in een soort van square is herschapen, met eene waterlooze fontein,
dorre en verschroeide bloemperken, en jonge boompjes, in welker schaduw
misschien het verre nageslacht eens zal mogen wandelen.--De eene zijde
van dit plein wordt ingenomen door het stadhuis, een groot gebouw met
twee galerijen boven elkaar, en volkomen gelijkende op alle stadhuizen
in de spaansche kolonien. Daar tegenover verrijst de kathedraal, die
inderdaad een monument mag worden genoemd voor eene stad, welke thans
eene bevolking telt van dertigduizend zielen, maar waarschijnlijk
nog geen tienduizend inwoners had toen deze kerk werd gesticht. Het
heiligdom dagteekent toch uit de laatste jaren der zestiende eeuw,
toen de kolonie nog pas in haar opkomst was en over zeer weinig
hulpmiddelen had te beschikken: de inwoners moesten waarlijk voor hunne
godsdienst veel over hebben om de zware onkosten van dit werk te kunnen
bestrijden. De kerk, in 1598 voltooid, kostte vijftienhonderd-duizend
francs: eene som, die gelijk staat met omstreeks vijftien millioen,
naar de tegenwoordige geldswaarde berekend.--De voorgevel wordt ter
wederzijde geflankeerd door twee sierlijke torens; het inwendige maakt
een grootschen indruk: het bestaat uit drie ruime schepen, waarvan de
gewelven gedragen worden door twaalf kolossale zuilen in het midden,
en door twintig anderen van gelijke afmeting, die ten deele in de
muren gevat zijn. In de zijschepen bevinden zich kleine kapellen;
en het geheel vertoont dien stempel van soliediteit, die aan alle
gewrochten der veroveraars eigen was.
Ten zuiden van het plein staat het huis van Francisco de Montejo:
dit huis, het oudste van Merida, is eene kostbare herinnering uit de
eerste tijden der verovering: het werd in 1549 gebouwd. De zuilen ter
wederzijde van de deur dragen twee spaansche soldaten; aan iedere
zijde van het venster der eerste verdieping staat het beeld van
een gewapenden ridder, wiens voeten rusten op een neergehurkten
Indiaan. Deze voorgevel met zijn zuilen, zijn standbeelden,
zijn wapenschilden, medaillons en lijsten, is een aardig staaltje
van den renaissance-stijl in Amerika; maar zoo het plan door een
Spanjaard werd geteekend, werd het werk zelf waarschijnlijk door
Indianen uitgevoerd, want toen dit huis gebouwd werd, was het getal
der Spanjaarden nog zeer gering: zij waren nog een troep soldaten
en avonturiers, die het allen als eene vernedering zouden hebben
beschouwd, steenhouwersarbeid te verrichten. Zij vonden trouwens
bij de Indianen de werklieden, die zij noodig hadden: de Mayas,
die hun land met zoo vele merkwaardige monumenten hadden versierd,
waren bekwaam genoeg om ook deze en dergelijke werken uit te voeren:
nog heden staan zij bekend als de beste metselaars van Amerika.
Met uitzondering van deze gebouwen, bestaat de stad uit eene
verzameling van lage huizen met platte daken en getraliede vensters;
sommigen hebben, bij uitzondering, eene bovenverdieping. Van buiten
trekken zij door niets de aandacht; maar inwendig zijn zij uitnemend
ingericht: groote, ruime, luchtige vertrekken komen uit op eene door
moorsche galerijen omgeven binnenplaats, die met bloemen, heesters
en palmen is versierd en een recht aangenaam verblijf oplevert.
Alle leven en beweging trekt zich samen op en om de markt: overal
elders is de stad als uitgestorven. Daar ziet men de voornaamste
winkels en handelskantoren; Spanjaarden, Indianen en mestiezen bewegen
zich hier, in hunne eigenaardige kleederdrachten, onophoudelijk heen
en weder. In de naburige straten ziet men groepjes indiaansche vrouwen,
op de trottoirs neergehurkt voor haar kleine uitstallingen van vruchten
en groenten. De markt zelve levert een schilderachtigen aanblik op:
die schaar van vrouwen, in haar bevallig sneeuwwit gewaad, maakt
een verrassenden indruk. In lange rijen staan zij daar, de schouders
ontbloot of met een glanzend witte roboza bedekt en bieden zwijgend
of met een stillen glimlach hare eenvoudige koopwaren aan. Gij ziet
daar vrouwen van allerlei leeftijd, mooien en leelijken, maar de
smaakvolle kleeding geeft aan allen eene eigenaardige bekoorlijkheid.
II
De Mayas zouden, naar men zegt, tot de oudste rassen behooren,
hoewel men niets omtrent hun oorsprong weet; hun type en hun taal
onderscheidt hen evenzeer van de omwonende stammen als van die der
hoogvlakten. De Maya is evenmin verwant aan de Otomis van Mexico
als aan de Roodhuiden van Noord-Amerika, waaruit de onhoudbaarheid
blijkt van de theorie, die alle volken van geheel Amerika als tot
een en hetzelfde ras behoorende beschouwt. Men zegt dat de Mayas in
het bezit waren eener oorspronkelijke beschaving, die zich hetzij
rechtstreeks, hetzij door tusschenkomst van bevriende stammen,
in Guatemala, Chiapas en Yucatan zou hebben uitgebreid; maar deze
hypothese, samenhangende met de onderstelling eener hooge oudheid
van deze kultuur, mist allen deugdelijken grond. Volgens deze zelfde
theorie zouden de monumenten en de ruinen, die men in de gewesten van
Centraal-Amerika vindt, overblijfselen zijn van deze oorspronkelijke
inlandsche beschaving; maar op grond van onze jongste ontdekkingen,
durven wij dit ten stelligste tegenspreken. Wij weten toch, en alle
traditien stemmen daarin overeen, dat de hier bedoelde landen, tegen
het einde der elfde en het begin der twaalfde eeuw, door de Tolteken
werden veroverd en beschaafd; en wanneer wij daarbij in aanmerking
nemen, dat alle onderling overeenkomende monumenten aan hetzelfde
ras moeten behooren; dat wij afdoende bewijzen bezitten van den
architektonischen zin en de technische bekwaamheid der Tolteken; dat
bovendien de bouwstijl en de dekoratie der monumenten volkomen overeen
stemmen met de beschrijvingen, die de geschiedschrijvers ons gegeven
hebben van de tolteeksche tempels en paleizen op de mexicaansche
hoogvlakten,--dan mogen wij met vrij veel zekerheid vaststellen,
dat er in Centraal-Amerika nooit eene andere kultuur bestaan heeft
dan de tolteeksche; althans, zoo er ooit eene andere bestaan heeft,
dat daarvan geen enkel spoor is overgebleven, zoodat wij met haar
geene rekening hebben te houden.
De Tolteken zouden dus de Mayas gemaakt hebben tot hetgeen zij
waren: een onder meer dan een opzicht belangwekkend volk, dat mede
zijn deel moet hebben bijgedragen tot de schepping der kunstwerken,
waaraan Yucatan zoo rijk is; dat eene zeer krachtige nationaliteit
vormde, en beter en langer tijd dan eenig ander ras aan de vreemde
overheerschers weerstand bood.
Zoo als hij nog heden ten dage, na eene meer dan driehonderdjarige
onderdrukking en vernedering is, onderscheidt de Maya zich nog van alle
indiaansche stammen. Ik vind de Mayas een mooi slag van menschen, en
ik betwijfel zeer of er onder de landbouwende klassen in Europa, naar
evenredigheid, zoo veel welgebouwde menschen en zoo veel verstandige en
intelligente koppen te vinden zijn. Zij hebben een rond hoofd, zwarte
oogen, een gebogen neus, een kleinen mond en welgevormde ooren, fraaie
tanden, een vooruitstekende kin en eene breede borst; hunne kleur is
vrij licht bruinrood; hun haar is grof, zwart en niet krullend.
Hunne oude maatschappelijke organisatie schijnt te wijzen op
eene vroegere verovering. Aan het hoofd der hierarchie stond de
koning; op hem volgden de priesters, dan de adel, dan het volk,
dan de slaven. Alle lasten en opbrengsten drukten op het volk;
de grond was gemeenschappelijk eigendom, en elke Indiaan bebouwde
het hem aangewezen stuk; de wijze van bebouwing was reeds toen
dezelfde als nog tegenwoordig. Daar de rotsachtige bodem van het
schiereiland geene gelegenheid aanbiedt tot ploegen, was de ploeg
onbekend, evenals de Spanjaarden, die den ploeg kenden, er toch geen
gebruik van maakten. Daarbij was de grond niet enkel steenachtig,
maar bovendien met wouden bedekt; men kapte dus eenige maanden voor
den regentijd de boomen om en verbrandde ze, nadat zij genoegzaam
gedroogd waren, zoodat hunne asch tot bemesting kon dienen; vervolgens
boorde men met een puntigen stok gaten in de aarde om daarin mais
te zaaien. Deze wijze van bebouwing had natuurlijk ten gevolge dat
de grond lang braak moest liggen; de verdeeling der landerijen was
dan ook zoo geregeld, dat de akker eerst na verloop van vijf jaren
weer in bebouwing kwam. Slechts een vijfde gedeelte van den grond
werd dus werkelijk bebouwd; en hoe snel de boomen ook opschoten, kon
het bosch zelden iets meer zijn dan hakhout. De opbrengst van den
oogst werd in magazijnen geborgen, en vervolgens aan elke familie,
naar gelang van hare behoeften, een deel uitgereikt.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10