Poetry review: Fire to Fire by Mark Doty
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Book Review: C Programming: A Modern Approach by K. N. King
Ad -

BOOK REVIEWWhen Life Hands You Lemons...
[Congratulations to Mark Doty for winning the 2008 National Book Award for his poetry collection Fire to Fire. This review of Fire to Fire by Elizabeth Lund originally ran in the Monitor on ] Mark Doty holds a magnifying glass to his subjects. He uses

A / B / C / D / E / F / G / H / I / J / K / L / M / N / O / P / R / S / T / U / V / W / Y / Z

Indrukken van Finland written by Clara Engelen

C >> Clara Engelen >> Indrukken van Finland

Pages:
1 | 2 | 3


Indrukken van Finland

Door Jonkvrouwe Clara Engelen.


Suomi is de zachte, welluidende, droomerige naam, dien de Finnen hun
land hebben gegeven. Het is de naam van het land, dat in den laatsten
tijd onze aandacht tot zich trekt, welks strijd voor vrijheid en oude
rechten onze belangstelling gaande houdt.

Finland is voor ons, Hollanders, betrekkelijk onbekend. Waarschijnlijk
zou het dat voor mij ook gebleven zijn, als het gelukkige toeval mij
niet met eene Finsche had samengebracht, en ik niet in de gelegenheid
ware geweest om Finland tweemaal te bezoeken.

Een paar jaar geleden nam ik het besluit, mijne finsche vriendin naar
haar land te vergezellen en weinige dagen later waren we te Luebeck,
om des avonds van daar met de _Storfuersten_ [1] naar Helsingfors te
vertrekken. Voor dat we ons plaatsbewijs voor den overtocht kregen,
moesten wij onzen pas laten zien en hem later op de boot dadelijk
afgeven. Groot was de _Storfuersten_ niet; zij leek mij zelfs in 't
oogvallend klein, maar ik wist toen nog niet bij ondervinding, dat
de Oostzee zeer weinig golfslag heeft en dus ook door betrekkelijk
kleine schepen kan bevaren worden. De zeventien passagiers waren
voor het meerendeel Finnen, die naar hun land terugkeerden, blij het
conservatieve Midden-Europa, zooals zij dat uitdrukken, te kunnen
verlaten. Mijn vriendin had spoedig een paar kennissen gevonden,
bij wie we ons gedurende de reis aansloten en met wie ik heel wat
heb afgepraat. Bij meer dan een gelegenheid hebben we het Noorden
en Midden-Europa met elkaar vergeleken, en telkens viel het mij op,
hoe er door deze lieden met een zekere minachting gesproken werd over
het laatste, dat als zeer behoudend en overbeschaafd bestempeld wordt.

Een ander thema dat ter sprake kwam, was de emancipatie. De Finnen
zijn wat dit punt aangaat, zeer vooruitstrevend. Co-educatie b.v. is
iets dat van zelf spreekt. Bijna alle meisjes doen hun "baccalaureat",
[2] studeeren eenige jaren en zoeken vervolgens eene betrekking. De
Finnen stellen er een groote eer in, dat zij andere landen zooveel
vooruit zijn, maar hebben tevens de neiging om alles af te keuren,
wat niet of uit Zweden, of uit hun eigen land stamt.

Opmerkelijk is het, dat de Finnen zich buiten hun land nooit recht
thuis voelen; zij zijn geen kosmopolieten en het best te waardeeren
in hun eigen omgeving; daar zijn ze gezellig en buitengewoon gastvrij
voor vreemdelingen. Zoo hebben zij tijdens de reis al het mogelijke
gedaan om mij niet buiten hunne gesprekken te sluiten en mij van hun
land alles te vertellen, waarin ik belang kon stellen. Om mij genoegen
te doen spraken ze ook onder elkaar duitsch, en werd er eens wat in
't zweedsch of finsch gezegd, dan was er altijd iemand die als tolk
dienst deed.

De avonden op de _Storfuersten_ waren wel het gezelligst. Het weer
was bizonder goed en dus konden we tot laat in den avond op het dek
zitten. Eerst werd er gepraat, en als de late schemering begon te
vallen, werden er liederen gezongen met een langzamen rhythmus, in een
voor mij onbekende weeke, zoetvloeiende taal. Geruischloos stoomde de
_Storfuersten_ over het water, dat effen was als een ijsvlak en waarin,
aan den kant van het Noorden de lichte streep der ondergaande zon werd
weerspiegeld. Nog later steeg de maan uit de zee op en vertoonde zich
als een groote schijf aan den wolkeloozen hemel. In de verte, aan den
horizon, zag men de lichten der vuurtorens van Gothland, Dagoe en Oesel.

Ook den laatsten avond zouden we op het dek doorbrengen, maar
... om drie uur 's middags kwam er mist, tegen vijf uur begon
de boot eigenaardig te schommelen en om acht uur was de storm in
vollen gang. Dienzelfden nacht voeren wij de Finsche golf binnen en
in den morgen bereikten we Reval. Hier kwam de douane aan boord en
inspecteerde niet alleen de bagage maar ook onze passen. Ze zagen
er krijgshaftig uit die grenswachters met hunne uniformen, hooge
laarzen en groote slagzwaarden. Toen ik me hierover eene opmerking
veroorloofde, werd mij dadelijk het zwijgen opgelegd met een: hou je
stil, anders krijg je last van hen! In Reval hadden we een uur tijd om
de stad te bezichtigen. De alles overheerschende indruk, dien ik kreeg,
was, dat huizen, straten en menschen onbeschrijfelijk vuil zijn. De
bevolking heeft het bizondere type, dat aan den russischen moeijik
herinnert: een goedige, domme, slaperige uitdrukking van het gezicht,
lange baarden, recht afgesneden haar; een roode kiel, die tot de knieen
reikt, en de voor een Rus onmisbare hooge vetlaarzen. Verder vielen me
de kleine rijtuigen op, getrokken door paarden, die gespannen zijn in
een hoog halsstel en bestuurd worden door een koetsier met een langen,
blauwen jas aan en een platten, hoogen hoed op. Gaarne waren wij wat
langer in Reval gebleven, doch we moesten naar de boot terug.

Om twaalf uur kwam Helsingfors in 't gezicht; eerst als een witte
streep aan den gezichteinder, maar spoedig kon men enkele gebouwen
onderscheiden, zooals de russische kerk met haar blinkende koperen
koepels. We voeren nu niet meer door de open zee, maar tusschen de
talrijke eilandjes, die voor de finsche kust liggen. Dit zijn de
"scheren", die Helsingfors een natuurlijke haven geven. Sommige
van die scheren zijn bewoond, andere niet; er zijn er begroeid met
boomen, en ook die als kale klippen boven het water uitsteken. Voor
men te Helsingfors aankomt, vaart men langs Sveaborg, de vesting,
vroeger door de Zweden en nu door de Russen bezet. Zij wordt streng
bewaakt en de toegang is voor ieder verboden. [3] Er wordt beweerd,
dat er staatsgevangenen onder in de kelders zitten opgesloten; van
andere zijde heb ik dit beslist hooren tegenspreken. In de nabijheid
van Sveaborg ligt nog een eilandje, door militairen bezet. Men
zegt dat ook daar gevangenen zijn; niemand mag het eiland naderen;
te middernacht legt er een boot aan, om de bezetting van voedsel
te voorzien. Er werd gefluisterd, dat de vader van Schumann [4] daar
gevangen zat. Een andere persoon verzekerde mij, dat er niets bizonders
aan het eiland is en dat het tot Sveaborg behoort; hij voegde er bij:
de Finnen houden van mysterieuse geschiedenissen en nemen dikwijls
zeer onzekere dingen voor waar aan.

We konden niet te Helsingfors aan land komen voordat de douane ons de
passen had teruggegeven. De namen van de passagiers werden afgeroepen
en ieder moest maar zorgen zijn pas terug te krijgen, want zonder
pas wordt men nergens toegelaten, waar de Russen hunne oppermacht
doen gelden.

Helsingfors is in 1550 gesticht en sedert 1817 de hoofdstad van het
finsche groothertogdom. Eerst na dien tijd is het een stad van eenige
beteekenis geworden. Het is een moderne stad, als 't ware volgens
een vast schema gebouwd, met rechte straten, afgewisseld door mooi
aangelegde en goed onderhouden parken. De groote beweging is op de
Esplanade: daar zijn de cafes en daar is elken avond muziek. In de
nabijheid van Helsingfors zijn talrijke gelegenheden om des avonds
te soupeeren, of de middaghitte te ontloopen. Wie in Helsingfors
is geweest, kent ongetwijfeld: Klippan (de klip), Alphyddan (de
alpenhut) Brunsparken en Hoegholmen. Klippan is een van de scheren;
vooral des avonds heeft men er een prachtig uitzicht: aan den eenen
kant de zee met de vele eilanden, aan de andere zijde het silhouet
van de stad en de haven. Als men eenmaal des avonds op Klippan is,
vergeet men den tijd; zoo tenminste ging het mij, want zelfs om 11
uur was het nog niet geheel donker. Als men dan laat in den avond in
Helsingfors terugkomt, zijn de straten meer bevolkt dan midden op
den dag. De stad is namelijk in den zomer zeer warm; wie kan, gaat
van Mei af naar buiten, en zij die in Helsingfors moeten blijven,
gaan eerst tegen den avond uit. De familie waar ik zou logeeren,
was ook met de geheele huishouding buiten, en alleen de heer des
huizes was naar Helsingfors gekomen, om met zijne dochter mij de
stad te laten zien. Omdat we dus geen bediening in huis hadden,
namen we onze maaltijden in een restaurant. Zoo maakte ik in
Brunsparken nader kennis met de zweedsche keuken, [5] waarvan ik
op de _Storfuersten_ al een voorproefje had gehad. Men begint het
middagmaal met smoergos, [6] dat gedekt staat op eene groote tafel in
't midden van de eetzaal. Bedien u zelf! heet het hier. Men neemt een
bordje, vork en mes en begint van al de lekkernijen, die gereed staan,
wat op te pikken; een radijs, een stukje knaeckebroed, [7] wat gerookt
rendiervleesch, wat wittebrood; maar pas op, het brood zoowel als de
gemarineerde sardines zijn zoet van smaak! Het smoergos wordt staande
gegeten en het kost heel wat moeite eer men leert, handig met vork en
mes te manoeuvreeren en ook om de lekkerste beetjes te vinden. Voor de
heeren staat er brandewijn klaar, dames drinken nooit daarvan. Na het
"smoergos" begint het eigenlijke middagmaal. Volgens het menu kan men
als eerste gerecht kiezen, soep of "tilbunke". Heeft men den moed dit
laatste te bestellen, dan komt er eene glazen kom met ... "hangop";
in Zweden en Finland eet men deze spijs des zomers in plaats van
soep. Verdere verrassingen komen er met het eten niet dikwijls voor,
alleen is alles met veel vet klaargemaakt, maar daar went men aan.

Alphyddan is een meer bescheiden uitspanningsoord, maar ligt heel
mooi te midden van een bosch. Zoo dicht bij een stad zou men niet
een dergelijke "wildernis" verwachten. Alleen de rijwegen zijn goed
onderhouden, voetpaden vindt men er bijna niet. Het bosch staat voor
iedereen open, men mag loopen waar men wil, verboden wegen zijn er
niet, men mag er bloemen plukken zooveel men lust heeft; maar van
't vernielen van planten is geen sprake, want de Finnen leeren van
hunne jeugd af aan zorg te dragen voor het algemeen eigendom.

Hoegholmen, het "hooge eiland", is de dierentuin, waar de rendieren,
die daar in vrijheid rondloopen, wel het merkwaardigst zijn.

Ik trof het niet, dat in Helsingfors alle openbare gebouwen wegens de
zomervacantie gesloten waren. Oude gebouwen vindt men er in 't geheel
niet; maar de moderne vertoonen een zeer merkwaardigen stijl. Dit
is de "nieuwe finsche stijl", die voornamelijk symbolistisch is;
de huizen zijn versierd met allerlei mystieke gedrochten, die in
het Kalevala, de Volkssage der Finnen, worden genoemd. De bouw van
de huizen schijnt terug te gaan op een stijl, die in overoude tijden
in Finland gebruikt werd; dit heeft mij de bekende finsche architekt
Eliel Saarinen zelf verteld. Al die nieuwe huizen hebben een naam, aan
het Kalevala ontleend. Een van die gebouwen is de finsche schouwburg,
waarop de Finnen zeer trotsch zijn en waarin nationale stukken gespeeld
worden door hun groote tooneelspeelster Aino Acte.

Mist men in Helsingfors de oude gebouwen, nog eigenaardiger is het
wellicht, dat er geene achterbuurten zijn: de huizen van rijken en
armen staan naast en door elkaar.

Als vervoermiddel in de stad heeft men de electrische tram, maar
meestal maakt men gebruik van een van de vele rijtuigen, die overal
gereed staan. Het rijden in Helsingfors is zoo goedkoop, dat ook
de volksklasse er gebruik van maakt. De rijtuigen, alle voorzien
van gummibanden, zijn kleine victoria's, waarin slechts voor twee
magere personen plaats is; de rugleuning is bizonder laag. Het paard,
op russische manier aangespannen, loopt vlug, zelfs daar, waar het
in de heuvelachtige straten bergop gaat. De koetsier heeft ongeveer
dezelfde kleeding als die, welke ik in Reval zag en bedient zich zeer
zelden van het korte zweepje, waar hij gewoonlijk op zit.

De winkels leveren over 't algemeen niets eigenaardigs op, behalve
die waar sloejd-voorwerpen en homespun kleeden worden verkocht. Die
kleeden zijn dikwijls versierd met kunstige steken of met
applicatiewerk. Meestal worden hiervoor heldere kleuren uitgezocht,
groen, blauw, rood, geel, oranje, nog des te meer sprekend door
de zwarte omlijning. De zelfde kleuren komen voor op de houten
sloejd-voorwerpen, die meestal zeer eenvoudig van vorm zijn. Zij
worden, evenals de kleeden, gemaakt door de boeren tijdens de lange
winteravonden. Zoo ook de voorwerpen uit gevlochten berkenschors
vervaardigd, waaronder zelfs schoenen zijn.

Om Helsingfors te leeren kennen heeft men niet zoo heel veel
tijd noodig, en we besloten dus vrij spoedig de reis naar buiten
te ondernemen. We gingen tegen den avond uit Helsingfors. Eerst
spoorden we langen tijd door een bosch, toen door eene vlakte waar
niet heel veel moois of merkwaardigs te zien was. Tegen middernacht
bereikten we een dorp, van waar een boot vertrok naar de plaats
onzer bestemming. Het meer maakt een zeer bizonderen indruk,
vooral als men het voor de eerste maal ziet in het schemerachtige
middernachtslicht. Zwarte dennen staan er om heen, hun silhouet teekent
zich in krachtige lijnen tegen de rood-oranjekleurige lucht. Het
meer is zoo kalm, dat het geheele landschap er zich duidelijk in
weerspiegelt en het water dezelfde oranjekleur krijgt als de lucht. Het
landschap geeft den indruk van groote rust; ineens wordt het duidelijk,
waarom de Finnen zoo poetisch zijn en zoolang droomend voor zich uit
kunnen staren. Men begrijpt dat deze natuur de Finnen gemaakt heeft tot
wat zij zijn: een volk van sagen en poezie. Zoo stoomde de boot voort
in de eigenaardige schemering der noordernachten, en de natuur zou iets
kouds, zelf iets griezeligs gehad hebben, als niet de oranjetint van
de lucht meer warmte aan het landschap had gegeven. Langer dan twee
uur duurde de bootreis langs de tallooze eilandjes en landtongen,
die allerlei grillige vormen aan het meer geven. Tegen drie uur in
den nacht bereikten we het buiten waar ik zou logeeren.

Voor we aan wal stapten werd ik opmerkzaam gemaakt op een sluis. "Zijn
er wel sluizen in Holland?" vroeg men mij. Ik kon niet nalaten even
te glimlachen over deze vraag.

Bizonder hartelijk was de ontvangst; het nachtelijk uur werd niet in
aanmerking genomen, want de Finnen zijn er aan gewoon dat men den nacht
voor reizen gebruikt. De vrouw des huizes was op, zij had koffie voor
ons klaar gemaakt, maar na deze en enkele zoete beschuitjes gebruikt
te hebben, werd ik beleefd verzocht zoo gauw mogelijk naar bed te
gaan en den volgenden morgen niet al te vroeg voor den dag te komen.

Ik had een aardige kamer, die zeer eenvoudig was ingericht;
de meubels waren van licht blauw geverfd hout; het bed bestond
uit een plank op twee schragen; de tafel was op dezelfde manier
gemaakt en een vriendelijke hand had er een grooten ruiker met
veldbloemen opgezet. Voor het groote openslaande raam hing een donker
gordijn. Eigenwijs, vond ik het volstrekt niet noodig het naar beneden
te laten en werd, tot mijn straf, een half uur later wakker door
de zon, die fel in mijne kamer scheen. Om negen uur kwam een keurig
gekleed dienstmeisje me een kopje slappe thee brengen, ook alweer met
zoet brood. Ik knikte haar toe; zij beduidde mij vriendelijk, van haar
kant, dat ik nemen moest wat ze mij bracht. Die pantomime herhaalden
we elken morgen, want ik heb geen woord tegen haar kunnen spreken.

Toen ik me gekleed had, werd ik afgehaald om mee te gaan zwemmen;
dat doen de Finnen, ook het volk, in den zomer eens of ook twee keer
per dag. De boeren gebruiken elken Zaterdag hun dampbad, waarvoor
eene schuur nabij de boerderij is ingericht. Daar staat een groote
steenen kachel, waarboven een kamertje is voor drie of vier personen
om het dampbad te gebruiken. Daarna nemen zij gewoonlijk, soms zelfs
in den winter, eene koude onderdompeling in het meer. Ook de knechts
der boerderij hebben recht op hun wekelijksch dampbad.

De dagindeeling was verder als volgt:

Elken dag kreeg ik tot elf uur niets anders dan het kopje thee,
maar dan werd het wachten vergoed door een ontbijt, dat meer leek op
middageten. Tot twee uur gingen we wandelen of aan het meer zitten,
en dan werd buiten koffie gedronken met allerlei soorten van zelf
gebakken brood en koek. Des middags werd ik meestal aan me zelf
overgelaten. Om vier uur werd gegeten. Bij dezen maaltijd werd een
drank gebruikt, die naar zuur bier smaakte en in huis wordt bereid. Na
het eten maakten we samen eene wandeling of we roeiden op het meer. Wij
bleven dan uit tot middernacht, of nog later; waarom zouden we ook
eerder naar huis gaan, want donker werd het niet? Eens hebben we een
avond doorgebracht op een eiland. Op een vuur van gesprokkeld hout
maakten wij zelf ons avondeten klaar. Alle handen kregen wat te doen,
want er moest voor een groot gezelschap gezorgd worden. Na gedanen
arbeid mochten wij rusten. We gingen bij het vuur zitten en er werd
gepraat en gezongen; weer hoorde ik dezelfde melodieen, die op de
_Storfuersten_ zoo diepen indruk op mij gemaakt hadden.

Op een anderen avond heb ik een boerenfamilie bezocht. We reden er
heen op een paar kleine karretjes met woeste paarden er voor; de weg
was slecht en bij gedeelten heel steil, zoodat ik er verbaasd over
was, dat we niet omrolden. Mijne vrienden echter vonden den weg nog
betrekkelijk goed: "buiten kan men geene betere wegen verwachten!" Ik
werd zeer hartelijk ontvangen op de boerderij, maar ik kon met niemand
praten. Later hoorde ik, dat de bewoners der hoeve zeer vooruitstrevend
zijn; twee zoons studeeren.

Zooals de meeste finsche buitenhuizen, is het huis waar ik gelogeerd
heb, van hout; bijna alle kamers zijn gelijkvloers. Het ligt op een
heuvel en van uit de woonkamer heeft men een aardig uitzicht op den
tuin, het bosch en het meer. Die kamer is zeer eenvoudig ingericht
en wordt alleen voor de maaltijden gebruikt en als het regent. Bij
goed weer is men den geheelen dag buiten of op de galerij voor het
huis. Voor regendagen is er een welvoorziene boekenkast en vindt
men een paar gemakkelijke stoelen; ook de schommelstoel, die in het
noorden zooveel gebruikt wordt, is voorhanden. De buitendeur heeft
geen nachtslot, ook blinden ontbreken; de huissleutel hangt zelfs dag
en nacht aan een spijker buiten aan de deur; wel een bewijs, dat de
bewoners der dorpen te vertrouwen zijn. Men hoort slechts zeer zelden
van inbraak of diefstal, werd mij verteld.

Het buiten leek mij een klein paradijs in de wildernis, geheel van
de buitenwereld afgesloten. Maar dat werd me met een spottenden
blik dadelijk tegengesproken; dat was echt midden-europeesch
gezegd. Afgezonderd leeft men volstrekt niet, zoo werd ik onderwezen,
als men twee maal per dag de boot ziet voorbij varen. En nu werd
me verteld van een plaats, waar men slechts eens per week de "post"
kon halen in een dorp, dat eerst na twee uur roeien te bereiken is.

De dorpen in de buurt liggen in eene boschrijke, heuvelachtige en
waterrijke streek; daar, waar men de meren niet ziet, doet de natuur
heel even aan Zwitserland denken. De boerenwoningen zijn donkerrood
geverfd met witte raam- en deurkozijnen en gootlijst. Van binnen zijn
ze zeer eenvoudig ingericht en buitengewoon zindelijk. Een groot
gedeelte van het vertrek wordt door de steenen kachel ingenomen,
waarop verschillende zitplaatsen zijn aangebracht. De meubels
zijn eenvoudig en hebben geen bizonderen stijl; antieke stukken
komen zeer zelden voor, ik zelf heb er geen gezien. Bijna elk huis
heeft zijn weeftoestel, dat gedurende de lange winteravonden wordt
gebruikt. Nergens ontbreekt bij het huis de voorgeschreven brandladder
en de ton, die altijd met water gevuld moet zijn.

De Finnen behooren tot een tak van het Mongoolsche ras, die de
Oeral-Altaische volksstam heet. Toen de Indo-Europeesche volken Europa
zijn binnengedrongen, begaf deze stam zich naar het noorden. Hun land
werd Suomi of Suomenmaa genoemd: het land der zeeen en moerassen. Die
naam is later door de Duitschers vertaald in "ven-land" (ven = moeras,
veen), wat later Finland werd.

Het finsche ras is klein, slank en lenig. Het draagt min of meer de
kenmerken van de mongoolsche afstamming: de schuinstaande oogen, het
ronde hoofd, het lage voorhoofd, de hoekige jukbeenderen en de sterk
ontwikkelde onderkaak. De neus is meestal kort, de oogen liggen diep
in de kassen en zijn het meest expressieve gedeelte van het gelaat. De
kleur van het haar is meestal blond en de oogen blauw of grijs, maar
ook donkere typen zijn niet zeldzaam. In het westen, waar ook Zweden
wonen, is het finsche type verloren gegaan. De nationale kleederdracht
wordt niet veel meer gedragen; alleen Karelie, een provincie bij de
russische grens, maakt hierop eene uitzondering. De vrouwen dragen
meestal alleen den korten blauwen rok, de gekleurde schort, een linnen
blouse met gewerkte manchetten, boord en borststuk, en tot sieraad
de ronde finsche speld. De kleeding der mannen is nog minder in
't oogvallend.

De Finnen zijn geneigd tot droomen en dichten, zooals ik reeds
schreef. Waarschijnlijk brengt de natuur die hen omgeeft, hier veel
toe bij, want voor natuurschoon zijn zij zeer gevoelig. Reeds in
hunne oude volksliederen worden de natuurkrachten bezongen. Het
zijn droefgeestige balladen, even zwaarmoedig en geheimzinnig als
het landschap, wanneer het omgeven is van den nevel die opstijgt uit
de tallooze meren. Finland is rijk aan mondelinge overleveringen, de
Runen, in het finsch Runot, die vooral in Karelie voortleefden. Elias
Loennrot heeft ze vereenigd tot een nationaal epos, dat hij het Kalevala
noemde. De hoofdinhoud er van is de strijd tusschen twee volken, de
Finnen (Kaleva) en de Lappen (Pohjola). De held is Waeinaemoeinen, de god
der zangers en tevens de personificatie der natuur. Hij begeleidt de
liederen, die hij zingend dicht, met de kantele, een soort van cither,
die men nu nog slechts zeer zelden bij de boeren aantreft.

De taal is, zooals ik in het begin reeds opmerkte, bizonder
zoetvloeiend. Zij herinnert, wat klank aangaat, aan het italiaansch. Er
is niets van te begrijpen en sommige woorden zijn zoo lang dat
men ze niet kan uitspreken. Een zin wordt soms gevormd door een
woord, met behulp van allerlei voor- en achtervoegsels; er zijn er
veertien, die alle een verschillende verbuiging vragen. De u wordt
als oe uitgesproken, en de klemtoon valt altijd op den eersten
lettergreep. "Tule tanne" beteekent: kom hier; "pikku" is: klein;
"kulta poike" is: lieve jongen; "ei kytos" is: dank u zeer; "hyvaesti"
is: goeden dag, "hyvaeae paeivaeae" is: goeden avond. "Vastaanotettavaksenne
saapunut", wil zeggen: dit is uw vrachtbrief. Alle letters worden
afzonderlijk uitgesproken, ook dubbele klinkers en medeklinkers. De
meeste Finnen spreken ook zweedsch, vooral daar waar de Zweden de
overhand hebben. In de 18de eeuw behoorde het tot den goeden toon
om zweedsch te spreken. Daardoor zijn tal van woorden, vooral die,
welke uitvindingen van de laatste honderd jaar aanduiden, alleen in
de zweedsche taal bekend. Nu het Finsch meer in gebruik komt, worden
deze woorden "verfinscht". De finsche taal is rijk aan symbolen,
allegorieen en pleonasmen, waardoor zij reeds in het dagelijksch leven
poetisch klinkt; ook de dikwijls voorkomende alliteratie draagt hiertoe
bij. Daarentegen komen rijmwoorden zelden voor en wordt de versvorm
bijna uitsluitend in de maat gevonden. Het herhalen van dezelfde
gedachte in opeenvolgende verzen en ook de rijke beeldspraak schijnt
te wijzen op den orientaalschen oorsprong van het Finsch. In de 12de
eeuw brachten de Zweden met het Christendom hunne taal in Finland,
waardoor het Finsch veel van zijn oorspronkelijkheid verloor.

Reeds in 1175 kwamen de Finnen met de Zweden in aanraking. Koning Erik
de Heilige van Zweden zocht hen te onderwerpen en tot het Christendom
te bekeeren. Dit gelukte echter eerst in 1249 door Birger Jarl. Finland
werd toen een hertogdom en mocht sedert 1362 afgevaardigden zenden
naar Zweden, als daar een koning moest gekozen worden. Dikwijls
gebeurde het, dat een zweedsche prins Finland in leen kreeg. Gustaaf
Wasa maakte Finland protestant. Telkens hebben de Russen getracht
het land te veroveren, maar zij werden gewoonlijk door de vereenigde
Zweden en Finnen verslagen. Eerst na het verdrag van Tilsit, 1807,
werd de keizer van Rusland groothertog van Finland. Gustaaf IV Adolf
van Zweden, n.l. was de tegenstander van Napoleon. Deze wilde door
middel van Alexander I den koning van Zweden dwingen, toe te treden
tot het Continentale stelsel. Het plan mislukte en Alexander veroverde
Finland. Den elfden Februari 1809 beloofden de Finnen op den landdag te
Borga trouw aan den Keizer van Rusland en deze beloofde de rechten en
wetten van Finland te eerbiedigen. Zijne navolgers hebben bij hunne
troonsbestijging deze belofte moeten herhalen.

Na 1809 is de ontwikkeling van Finland met rassche schreden
vooruitgegaan en kwam er tevens eene beweging om het finsche element
krachtiger te doen worden dan het zweedsche. Snellmann, de professor
aan de universiteit, gaf hieraan den stoot en werd gevolgd door de
dichters Rueneberg, Topelius en Loennrot.

Het was Rueneberg, die het volkslied der Finnen maakte:



Maa isaenmaamme suomenmaa,
Sei sana kultainen!
Ei laaksoa, ei kukkulaa,
Ei vettae, rentaa rakkaampaa,
Kuin kotimaataeae pohjainen
Maa kallis isien.



On maamme koeyhae, siksi jaeae
Jos kultaa kaipaa ken.
Sen kyllae vieras hylkaejaeae,
Mut nuillekallein maa ontaeae
Kauss' salojen ja saarien
Se meist on ultainen.

Pages:
1 | 2 | 3
Copyright (c) 2007. topknownstories.com. All rights reserved.